Wiebeltjes

Toet slapen


2 reacties

Uit-Ge-Blust

10358875_843527875708203_6878784852440836675_n

Zondag 20 oktober. De Maas onder een prachtig wolkendek

Volgens kenners kan het niet. Die hevige en snelle terugvallen in conditie zoals ik die heb. Voor mijn gevoel sta ik al weer op de keldertrap. En ik heb niet eens een kelder.

Zaterdag, tijdens mijn uitstapje naar de stad samen met Q, was het mij nog niet echt opgevallen maar zondag…. Ondanks regelmatig stilstaan om een foto te maken of gewoon rond te kijken leek het wel een eeuwigheid te duren voordat de wekker van mijn telefoon aangaf dat ik ‘al’  15 minuten aan de wandel was en dus de hoogste tijd om met een lichte bocht huiswaarts te keren. Een half uur is nu eenmaal een half uur.

Maandag was ik ruimschoots voor de wekker wakker. Om iets over zeven uur stond ik, op mijn vrije dag notabene, onder de douche. Ik had een afspraak met de verwarmingsketelmonteur die ergens tussen 8:00 en 13:00 uur aan zou bellen. Dat deed-ie al om half negen dus ik mag niet mopperen. Maar ik blijf het bijzonder vinden dat de NASA tot op de minuut exact kan bereken hoe laat een Marsvoertuig de eerste rupsband op de rode planeet zal zetten, maar de meeste dienstverlenende en /of bezorgende organisaties met marges van twee tot zes uur werken. Misschien omdat er richting Mars nog geen files staan. Wie zal het zeggen.

10675717_959214287438646_2513836154742622804_n

Toen de beste man weg was ben ik aan de poets gegaan. Het was een beste work-out. Slaapkamer gesopt en gezogen. Badkamer idem dito en ook nog gedweild. De keuken en WC een sopje gegeven, de huiskamer stof en spinnenweb-vrij gemaakt. Boodschappen gedaan. Wassen gedraaid. Koffievisite gehad. Tegen half elf zat ik te knikkebollen op de bank. Tijd om naar bed te gaan. Voordat mijn hoofd mijn kussen raakte sliep ik al.

Dinsdagochtend werd ik weer braaf voor de wekker wakker. Eenmaal op het werk werd het een ren en vliegdag. Zelfs de pauze schoot er bij in. Dus toen een collega vroeg of ik even mee naar buiten ging voor wat ‘me-time’ deed ik dat. Tien minuten later ging ik voor het eerst sinds anderhalve week met de trap naar boven. Drie verdiepingen maar. Mijn tong hing op mijn schoenen, en hijgend bracht ik hortend en stotend wat woorden uit. Nu ben ik wat snotterig, maar toch. Dat snotterig zijn was geen reden om niet naar de fitness te gaan (al heb ik het wel overwogen). Slechts 22 minuten heb ik gefietst. Licht verzet, niet overdreven veel wentelingen per minuut. Maar…  Compleet Uit-Ge-Blust keerde ik huiswaarts.

Voordat ik dadelijk weer een imitatie van mijn vader weggeef door druk doende in slaap te vallen ga ik maar naar bed. Want slapen… Slapen doe ik momenteel als een Bruine Beer in winterslaap.

© Rianne, 21 oktober 2014

We kunnen stellen dat het klem liggen onder een halter Toet heel goed en natuurlijk af gaat. Nadat de stoere meneer hem bevrijd had, wandelt Toet de zaal rond op zoek naar iets wat hij wel zou kunnen.


9 reacties

Laag bij de grond

Eigenlijk al vanaf dag een dat ik stopte met de bedrijfsfitness om mij helemaal op het rennen te storten wist ik dat ik iets met mijn overige spieren zou moeten doen. Zou. Moeten. Doen. Ik deed dus niets. Ja, ik zocht wat filmpjes op youtube, klopte mijn yogamat uit… Maar daar hield het wel mee op.  Er gingen weken, maanden voorbij zonder dat mijn buikspieren een spier verrekte. Tot MissSexandTheCity  mij via Twitter weet te triggeren.

Ik pak het matje van de linnenkast en rol het in de huiskamer uit. Bij de open balkondeur sloof ik mij een minuut of 15 uit. Het voelt goed. Net als het voornemen: De dagen dat ik niet ren ga ik grondoefeningen doen. De volgende dag heb ik spierpijn maar ga rennen. De dag erop is een rustdag dus mag ik weer op mijn matje liggen.

Omdat Yep thuis is en ik geen zin heb in zijn commentaar neem ik mijn laptop mee naar mijn slaapkamer. Ik rol mijn matje uit en ga liggen. Mijn oog valt op een plakkaat spinrag in de hoek. Ik zie stoffige draden richting de deur lopen.  ‘WTF”, denk ik terwijl ik dertig seconden lang mijn hielen om en om aantik. ‘Waar komt die zooi vandaan. In mijn vakantie heb ik die kamer van onder tot boven schoongemaakt’. Er volgen nog wat oefeningen en het dringt tot mij door dat mijn vakantie al weer een hele tijd over is en dat het tijd wordt voor iets meer dan met de Franse slag aan de slag gaan. Dan moet ik op mijn buik gaan liggen. Mijn oog valt op de verwarming waar… je raadt het al… een zo mogelijk nog grotere dot spinragstof hangt als boven aan het plafond. Ook onder de vensterbank is het een stofnest van jewelste. Halfslachtig werk ik het programma af en beloof mijzelf daarna de kamer te kuisen. Dat was twee weken geleden. Zowel van kuisen als van oefenen is het niet meer gekomen. Het uitstel van het een gaat hand in hand met het uitstel van het ander. Slecht van mij. Ik weet het.

© Rianne, 19 oktober 2014

Een dag na het schrijven van bovenstaand blog loop ik met een emmertje sop de slaapkamer op. Eigenlijk, eigenlijk… valt het allemaal wel mee. Binnen no time is mijn kamer maar ook de rest van het huis weer spic en span. Nu alleen de buikspieroefeningen nog uitvoeren. Dan zijn alle goede voornemens weer ‘bijgewerkt’.

© Rianne, 20 oktober 2014

Maas


2 reacties

Lamme Urgh 51: Dagen komen en gaan

Val je zomaar binnen en wil je meer weten over Urgh en zijn voorgeschiedenis, klik dan hier.

Wat als er te weinig voedsel is om de winter door te komen? Terugkeren naar het dorp is voor de meeste Grottenbewoners wel mogelijk, alleen niet voor Urgh. Twee dorpswijze in een dorp, dat kan echt niet. Het is Tork die haar gedachten verstoord. ‘Komt tijd komt raad Nana’, zegt hij, ‘De wonderen zijn de wereld nog niet uit, en de voorouders hebben het tot nu toe altijd goed voor gehad met Urgh. Die jongen redt zich wel.’ ‘Ja’, antwoord zij zachtjes, ‘Urgh redt zich wel’.

De reis terug naar de groten verlopen voorspoedig. Eenmaal terug bij de rivier kondigt Urgh een wijziging op de grotindeling aan. Azel en Yali blijven wonen waar ze wonen. In de grot daarnaast, waar eerst de jonge jagers hebben gewoond neemt Tak met zijn gezin de intrek. De volgende, en grootste grot, zal als woning dienen voor Zan en Ani, Tas, Gaya en Urgh. Vooraan in de grot is voldoende ruimte voor een vuur waar voor het hele dorp gekookt kan worden, in de grotten die er achter liggen zullen de diverse stellen een veilig toegangsoord vinden. Bovendien bevinden zich de voedsel- en kruidenvoorraden al in deze grot. Voor Zoe verandert er weinig. Zij blijft in de grot wonen die zij eerder met Zan en Tas heeft gedeeld. Nu komen Pon en Ran daar voor in de plaats. De grot die Urgh en Kleintje gedeeld hebben blijft leeg ‘Totdat we hem nodig hebben’ zoals Urgh het zegt.

Die dag wordt er weinig meer gedaan maar vanaf de volgende dag gaat iedereen aan het werk. Er wordt gejaagd, groenten gezocht, fruit en noten geoogst. Ani is druk bezig met het drogen van vlees, vis, groenten en kruiden. Naast de grote kom kruidenthee die bij het vuur staat te trekken is Gaya druk bezig met het brouwen van medicijnen. Yali heeft een deel van het kommen en manden maken van Azel overgenomen zodat Azel al zijn tijd in het veilig maken van het pad naar het strand kan steken. Yeti blijkt goed te zijn in het looien van huiden en het maken van kleding en Urgh… Urgh is begonnen met het maken van een nieuwe slee. Dagen komen en gaan en iedereen vindt zijn / haar routine.

Het weer is zacht. Zo zacht dat de Herfstzonnewende bijna als een verrassing komt. Wederom gaan de grotbewoners beladen met eten naar het moederdorp om het feest in gezamenlijkheid te vieren. Ondanks het uitbundig vieren van dit feest, ondanks de vier verbindingen is alleen Pew zwanger. Haar lichaam begint de eerste tekenen van de zwangerschap te tonen.  Voor de meeste dorps- en grotbewoners is dat voldoende om het Herfstfeest uitbundig te vieren. Nana spreekt haar zorgen over het uitblijven van zwangerschappen bij Gaya en Marg uit tegen Urgh en Elm. Urgh haalt zijn schouders op. Hij maakt zich weinig zorgen. De jacht, het vissen en het voedsel verzamelen gaat voorspoedig. ‘Volgend jaar gaan Zoe en Tas zich  wel gaan verbinding. Jonge vrouwen. Die zullen snel genoeg zwanger zijn. Wij hoeven ons nu niet te druk maken’, probeert hij Elm en Nana gerust te stellen. Elm en Nana laten zich niet gerust stellen. ‘Dit jaar is misschien nog een voedselrijk jaar’, zegt Nana, ‘Maar wie garandeert dat volgend jaar dat ook is. Bovendien, jullie moeten beide zonen krijgen die jullie taken over kan nemen als jullie er niet meer zijn. Jullie dochters moeten medicijnvrouwen worden’. Urgh schudt zijn hoofd. ‘Waarom moeten dat onze zonen en dochters zijn?’, vraagt hij, ‘Waarom zou een van de jonge kinderen die daar spelen geen dorpswijze of mediicjnvvrouw kunnen worden? Waarom zou de natuur ons alleen maar voedsel schenken wanneer onze vrouwen zwanger zijn. Waarom hadden we de afgelopen jaren dan regelmatig een slechte jacht en vonden we weinig voedsel. Kijk daar eens. Daar spelen 8 kleine kinderen. Er waren dus vrouwen zwanger. Leg mij dat eens uit?’. Bij het uitspreken van de laatste zin kijkt hij zijn grootmoeder aan. ‘Dat is niet uit te leggen’, antwoord Nana, ‘Het is gewoon zo. Dat weet iedereen’. Urgh is niet overtuigd.

De volgende dag, tijdens de weg naar huis komt Gaya naast hem lopen. Ze kijkt bedrukt voor zich uit. ‘Wat is er Mooie Rooie?’, vraagt Urgh haar. Gaya glimlacht om het koosnaampje wat Urgh voor haar gebruikt wanneer ze samen zijn maar geeft geen antwoord. ‘Is er iets gebeurt toen we in het dorp waren?’, probeert Urgh het nogmaals. Weer doet Gaya er het zwijgen toe. In stilte lopen ze samen verder met Kleintje op de hielen. Ineens zegt Gaya ‘Elm heeft tegen Marg gezegd dat hij hun verdrag laat ontbinden wanneer zij voor de volgende Zomerzonnewende niet zwanger is’. Abrupt blijft Urgh stil staan. ‘Wat?’, zegt hij, ‘Is die man gek geworden. Hij had zich geen verstandigere partner kunnen vinden dan Marg’. Hij begint weer te lopen en zegt dan ‘Ben jij daar bang voor? Dat ik dat ook wil?’. Gaya knikt. ‘Ja Urgh, daar ben ik bang voor. Jij bent dorpswijze en dorpswijzen moeten kinderen krijgen voor de opvolging. Jij kan geen vrouw gebruiken die geen kinderen van je kan krijgen.’ Urgh glimlacht naar de kleine vrouw naast hem. ‘Gaya, stop met piekeren. Ik ga jou niet verlaten. Jij bent veel belangrijker dan kinderen. Als jij en ik geen kinderen krijgen, dan wordt niet ons kind, maar een ander kind de volgende dorpswijze. Daar is niets mis mee’. Gaya glimlacht even terug naar de man naast haar maar zegt niet. In stilte lopen ze verder.

Een paar weken na thuiskomst in het Grottendorp slaat het zachte weer om en begint het te regen en te stormen. Het is voor de voedselzoekers en jagers nauwelijks mogelijk om de grotten te verlaten. Hele dagen worden binnen doorgebracht en wordt er gegeten van de meer dan toereikende voedselvoorraden. Na drie weken storm gaat de wind liggen en valt de eerste sneeuw. Iedereen is blij. Het in de grot opgesloten zitten is voorbij. Hoewel de vondst en de vangst minder is dan voorheen lukt het toch om de voorraden weer te laten groeien. Enkele weken voor de Winterzonnewende begint het weer te stormen. Samen met de sneeuw die nog dagelijks valt is het schier onmogelijk om naar buiten te gaan. Iedereen verhuisd naar de grote grot zodat er maar een vuur brandend gehouden hoeft te worden. De grotbewoners gaan alleen naar buiten om hun behoefte te doen of om brandhout te halen. De Winterzonnewende wordt in de eigen grot gevierd.

Wanneer na weken de wind gaat liggen ziet de zon kans om regelmatig door het wolkendek heen te breken als is zij nog niet warm genoeg om het enorme pak sneeuw te laten smelten. De ene na de andere dorpsbewoner gaat weer naar buiten. Oude routines worden weer opgepakt. Langzaam wordt het lente al duurt het nog een maanwenteling voordat het Lentezonnefeest gevierd kan worden. De avonden zijn nog ijzig koud. Dan, op een stormachtige avond, wanneer de grotbewoners net zitten te eten begint Kleintje zachtjes te janken en loopt naar de huid die bij de ingang hangt en duwt deze weg. Zan, die achter hem aanloopt meent buiten een stem te horen. Snel wenkt hij Tak en Flik. De drie jagers trekken hun warme jassen en hun sneeuwschoenen aan, pakken een fakkel en lopen achter de wolf aan naar buiten, de weide op. Bij het schijnsel van de fakkel zien ze hoe de wolf om een aantal grote voorwerpen die op de weide liggen heenloopt. Als de drie jagers dichterbij komen zien zij wat de voorwerpen zijn. Het zijn Marg, Pew en Tork, drie van hun voormalig dorpsgenoten. Ze zijn alle drie nog nauwelijks bij bewustzijn. Zan stuurt Flik naar de grot terug om Gaya te waarschuwen en de slee van Urgh te halen. Eerst wordt de zwangere Pew naar de grot gebracht, daarna Marg en als laatste Tork. De drie mensen zien er uitgemergeld uit. Pew’s magere lijf steekt schril af bij haar grote zwangere buik.

Al snel zitten de drie dodelijk vermoeide, uitgemergelde en verkleumde mensen in warme huiden gehuld bij het vuur. Op last van Gaya vult Ani drie kommen met verdunde bouillon. Dankbaar begint het drietal te drinken. Na de eerste kom is het Tork die begint te vertellen. Over de jagers die net voor de herfststormen ondanks zijn waarschuwingen gingen jagen en nooit meer terug zijn gekomen. Over het niet goed gedroogde vlees wat boven op het andere vlees was gelegd waardoor alles begon te rotten. Over de honger. De mensen die het rottende eten hadden gegeten en ziek waren geworden. Over de sterfgevallen. Over Elm die steeds vreemder ging doen en de avond ervoor aan hem, Tork, de opdracht had gegeven Marg en Pew te doden omdat de voorouders hadden gezegd dat de problemen van het dorp door deze twee jonge vrouwen was veroorzaakt en alleen hun bloed het dorp kon redden. ‘Maar ik kon het niet’, eindigt Tork zijn verhaal. ‘Ik heb eenmaal naar de stem van de waanzin geluisterd, ik wilde dat geen tweede keer doen. Dus zijn we op zoek gegaan naar jullie, naar Pew’s vader, Margs ouders en mijn dochter. Naar een leider die zelf denkt en niet alleen maar in het vuur staart’. Tork kijkt zijn toehoorders aan. Ziet de ontzetting in hun ogen.  ‘Urgh, mogen wij hier komen wonen?’. Zonder aarzeling zegt Urgh ‘Jullie zijn welkom. Voor nu heb ik voldoende gehoord, morgen praten we verder, over jullie en over wat er in het dorp gebeurt. Maar eerst moeten jullie rusten en aansterken’.

De kommen van de drie mensen worden nogmaals gevuld en wanneer zij ook die leeg hebben is het tijd om te gaan slapen. Voor het eerst sinds lange tijd stelt Urgh samen met Zan een wachtschema op. ‘Nu je broer tegen de wensen van Elm in is gegaan, en Elm zelfs zijn partner wil offeren, weet ik niet wat hij doet wanneer hij er achter komt dat Tork met de vrouwen gevlucht is’. Zan knikt.  Het is Urgh die samen met Kleintje de eerste wacht neemt.

© Rianne, 19 oktober 2014

images


15 reacties

Het overviel mij even…

Soms ben ik net de NS en heb ik last van vallende blaadjes op mijn spoor. In tegenstelling tot de NS kan ik mijn dienstregeling niet zo maar aanpassen. Dat vindt mijn baas niet leuk. Sinds ik aan mijzelf toegegeven heb dat ik wel eens last heb van ‘sombertjes’ als de blaadjes gaan vallen heb ik er ineens een stuk minder last van. Misschien ook wel omdat ik weet dat chocolade, en dan met name de melkvariant, niet goed voor mij is en ik er dus wat vaker van af blijf. Ik bedoel maar: En een beetje sombertjes in combinatie met buikkrampen, dat is vragen om moeilijkheden. Nee, dan kun je je sombertjes beter analyseren, tegen het schaarse licht houden, (h)erkennen en archiveren. Werkt als een trein. Zelfs met vallende blaadjes.

Zaterdagmiddag rond een uur of vijf word ik uit het niets overvallen door een sombertje. Mijn eerste analyse was: Ik hoef hier niets mee te doen want dit is niet mijn gevoel. Ik heb momenteel niets om van in de mineur te geraken. Niets? vroeg Me, Myself of I. Ik kan die drie niet zo goed uit elkaar houden. ‘Niets’, antwoord ik. Zeker weten? is de vraag die ik door Me, Myself of I gesteld krijgt. ‘Ja’, antwoord ik, ‘Zeker weten’. En de pijn in je been? En je gewijzigde weekendplannen?, probeert de leadsinger van het trio nog. ‘Nee’, zelfs dat niet’. Ik heb een heerlijke middag met Q doorgebracht dus….

Ik zet het avondeten op en ga op mijn vertrouwde plekje zitten. De zon schijnt heerlijk op mijn rug. ‘Lekker ren weer’, denk ik en weet dat Me, Myself en I gelijk hebben. Mijn sombertje vindt haar oorspong in mijn blessure. Niet in de pijn. Niet in de gewijzigde weekendplanning. Niet eens het besef dat het mijn eigen stomme schuld is omdat ik, en ik alleen, uit blijdschap maar vooral uit prestatiedrang om de hele wereld te laten zien dat ik ondanks mijn diagnose 12 jaar geleden, ondanks de voorspelling dat ik afgekeurd zou worden, op termijn dusdanig vermoeid zou raken, krachtverlies zou krijgen dat een rolstoel mijn eindstation zou zijn, dat stomme rondje kan rennen.  Nee, niets van dat alles.

Even, heel even, overviel mij de angst dat het nu afgelopen is met rennen. Net nu ik het leuk begin te vinden. Vandaar mijn sombertje. Dan neemt mijn gezond verstand de analyse over. Ja, die kans bestaat maar is uiterst klein. Tenminste… Wanneer ik stop met ongeduldig zijn, de tijd neem om te revalideren, de tijd neem om straks in een rustig opbouwend schema (een maand per lesweek zoals ooit bedacht door mijn therapeut) met Evy de dijk op te gaan en accepteer dat een snelheid van 10 km per uur voor mij niet haalbaar is… Dan is er geen vuiltje aan de lucht. En zelfs wanneer er wel een vuiltje aan de lucht is…. Dan heeft het totaal geen zin om mij daar nu al zorgen over te maken. Komt tijd komt raad. Zoals altijd.

Ahhhh…. Waren alle sombertjes maar zo makkelijk te analyseren.

© Rianne, 18 oktober 2014

Zwijmelen op Zaterdag


20 reacties

Zwijmelen op Zaterdag 48

Op weg van de bedrijfsfitness naar huis (nee, niet om te lopen maar ik mag al wel fietsen om mijn conditie op peil te houden) bedenk ik dat ik 1) te moe ben om te koken en 2) dat ik zin heb in ‘fish ‘n chips’. Dat komt mooi uit want op donderdag staat de visboer altijd op het plein. Ik koop een bak kibbeling, schiet bij AH naar binnen voor een zak Vlaamse friet en keer huiswaarts. Terwijl Yep de airfryer neerzet trek ik alvast mijn pyjama aan. De tas waarin ik zondag mijn nieuwe kleren mee naar huis heb gekregen staat vlak bij het open raam. Mijn oog valt op de tas en dan in de tas. Ik zie een joekel van een spin aan de binnenkant van de tas zitten en slik even. Wat te doen.

Kijk, toen Yep nog een Yeppertje was deed ik net of zo’n spin mij niets uit maakte en mepte ik het beest dood. Of, als het beest over de vloer meende te moeten rennen, verdween hij/zij in de stofzuigerzak. Een knikker erachter aan opzuigen en ik hoefde mij nergens zorgen over te maken. Maar Yep is 20. Ik hoef mij nu geen zorgen meer te maken over het overdragen van mijn angst. Ik besluit op zijn ‘heldengemoed’ te spelen, loop de kamer in en meld de verblijfplaats van de spin. Hij pakt een stuk keukenrol en loopt mijn slaapkamer op. ‘Wow’, zegt hij, ‘Die is echt groot’. Jah Duh!

Het eind van het liedje. Ik tikte tegen de tas, de spin viel naar de bodem en Yep heeft de spin op het balkon losgelaten. Denk ik. Yep wist het ook niet zeker. Ineens was-ie weg. Ahum. De tas staat nu mooi in de gang, tegenover zijn slaapkamer. Iets met het zekere voor het onzekere nemen.

Shrek – I need a hero  

Voor meer zwijmelen op zaterdag verwijs ik graag naar Marja.

© Rianne, 16 oktober 2014

Dan was er die snoeppot die je binnen 10 minuten leeggegeten hebt, zeg ik. Toet's ogen gaan glimmen en hij zegt Ahhh, een van de leukste dingen die ik in de sportschool heb gedaan


12 reacties

Geluk gehad

Na een goede lange nachtrust word ik dinsdag redelijk fris en monter wakker. Mijn been doet niet eens zo veel pijn. Diep van binnen heb ik een klein beetje spijt van de afspraak met een vriendin om haar iets voor half negen bij de hoofdingang van het gesticht waar wij beide werkzaam zijn te treffen. Iets met krukken-overdracht omdat ‘de kruk’ niet meer in het basispakket van het Groene Kruis zit. De enigste reden dat ik sinds de kraamtijd nog steeds lid ben van deze club zijn de krukken en zo. Ik voel een besparing aankomen, maar dit terzijde.

Na het parkeren van mijn auto (automaat) loop ik naar de ingang. Al snel ben ik wel blij dat ik krukken op ga halen want met elke stap krijg ik meer pijn. Het duurt even voordat ik vriendin zie. Zij heeft nogal bekijks. Je ziet niet elke dag iemand met een gebroken arm die twee krukken vasthoudt. We zijn net de krukken op mijn lengte aan het afstellen wanneer er een andere collega aan komt lopen. Volgens haar toonde wij een perfect foto-moment. De lamme en de kreupele.

Na wat oefenen met de krukken (ik heb ineens grote bewondering voor Lamme Urgh) stapte ik op het busje naar Venray. Iets met verstandig zijn. ‘s-Middags nam ik al weer op tijd het busje terug en liep even bij de bedrijfsfitness binnen. Daar ben ik dan wel geen lid meer van, maar als ik iemand vertrouw qua gefundeerd advies geven wat aansluit bij dat krakkemikkige lijf van mij, dan is het de fitnessinstructeur aldaar. Ik had hij gelijk. Hij nam de tijd om naar mijn verhaal te luisteren, liet mij op een hometrainer plaats nemen voor een stukje conditietraining, schakelde een van de fysiotherapeuten in om vast te stellen of het een zweepslag of een waarschuwing was geweest en stelde daarna in samenspraak met de fysiotherapeut een trainingsprogrammaatje op waardoor ik enerzijds mijn been de rust geef die het verdient, en anderzijds mijn basisconditie en spieropbouw niet zo maar kwijt raak. En ik moet (hiep hoi) de krukken aan de kant gooien. ‘Als je een te grote stap maakt of te hard wil lopen, voel je het vanzelf’, zei hij. ‘Dan stop je, stretcht even, en loopt dan weer rustig verder’.

Verder hebben we de afspraak gemaakt dat ik in ieder geval donderdag na het werk ook weer even binnenloop een om half uurtje te fietsen en dat ik zaterdag weer mijn eerste wandeling (over rennen hebben we het nog niet gehad) van 25 minuten in een rustig tempo lopen weer mag maken.

Ik ben blij dat het allemaal meevalt, dat ik geluk heb gehad. Blij dat ik op tijd de waarschuwing van mijn lijf kreeg dat ik te grote sprongen aan het maken was. Maar het allerblijst ben ik  met zo’n topper als collega!

© Rianne, 14 oktober 2014


7 reacties

Maandag de dertiende

 

Vorige week tijdens het rennen kreeg ik last van mijn scheenbeen en voelde ik pijnscheuten via mijn enkel richting mijn knie schieten. Aangezien ik tegenwoordig wijzer aan het worden ben brak ik de training af en liep naar huis.  Donderdag tijdens de training leek euvel over te zijn maar na een goed kwartier rennen schoot de pijn ineens mijn been weer in. Ik stopte met de training, liep naar huis en laste een extra rustdag in. Zondagochtend begon ik wederom aan les 12. In een rustig tempo, iets meer wandelend dan Evy eigenlijk wilde en het ging eigenlijk best wel oké. ‘Ik heb gewoon wat meer rust nodig’, dacht ik, en daarmee was de kous af.

Maandag ging ik met de rest van de trolleybrigade op pad. Al snel hadden we alle boodschappen binnen en liepen we richting de auto. Er kwam een boom met een kleine verhoging er om heen op mijn pad. Ik liep de verhoging (15 centimeter of zo) op en even later weer af. Ik schatte de afstand voet grond verkeerd in, voel een venijnige pijn in mijn kuit en zeg heel droog ‘Ik geloof dat ik net een zweepslag oploop’. Voorzicht lopend/strompelend ga ik naar de auto in de veronderstelling dat de pijn wel wegtrekt. Dat deed-ie ook. Om telkens weer terug te komen.

Toen ik later op de dag huiswaarts reed was ik blij met mijn automaat. En met het feit dat Yep al thuis was zodat hij de boodschappen de trap op kon tillen. Misschien dat het tegen de tijd dat dit blog verschijnt allemaal mee blijkt te vallen. Zo niet, dan loop ik nu te krukken voor het ware Lamme Urgh gevoel. Zucht. Waarom ben ik toch ‘gezegend’ met een lijf wat er supergezond uitziet maar oh zo blessure gevoelig is. Snif.

© Rianne, 13 oktober 2014

NB. Mijn blog voor morgen heet ‘Geluk gehad’ dus… DO not worry!

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 132 andere volgers