Wiebeltjes


1 reactie

Een brug te ver…

foto 1

Een stralende dag. perfect om een rondje te ren-wandelen

Al vanaf dag een dat ik met Evy aan de ren-wandel ga droom ik van de Brug tot Brug route dus via de dijk, de Zuiderbrug over, via de Blerickse kant naar de Stadsbrug en dan vua de dijk terug naar het beginpunt. Afhankelijk van waar je precies begint en of je de ‘lussen’ loopt of de trap neemt een rondje van tussen de 4 of 5 kilometer.

Tot op heden ben ik tijdens mijn ren-wandeltochten aan mijn kant van de Maas gebleven. Ik liep of via de trap of via de lus naar boven om vervolgens de brug te vermjden en via de tegenovergestelde route uiteindelijk op mijn schrede weder te keren. Op zich helemaal perfect. Compleet uitgeput en met een pieper zo rood dat een beetje tomaat er jaloers op is eindigt mijn tocht binnen en straal van 100 meter van mijn bank waar ik meestal na een semi-rondje rennen op neer zijg. Maar die brug… en die andere brug blijven trekken.

Dan is het maandag. Na wat opstartproblemen besluit ik toch te gaan rennen. Ik kijk op mijn weerapp. die zegt dat het buiten 14 graden is. Mijn weerapp is duidelijk nog niet buitn geweest want mijn good-pld-fashioned thermometer op het balkon denkt er duidelijk anders over. Een graadje of 20 is het. Ik trek mijn loopbroek en een luchtig shirtje aan en ben klaar om te vertrekken. Na vijf poginingen Evy ook. Wanneer zij haar laatste instructies voor de start geef realiseer ik mij dat ik een fout heb gemaakt. Ik zou de 27 minutenloop van les 9 nogmaals doen maar Evy is klaar voor les tien. 29 Minuten lopen.

De zon schijnt, de lucht is blauw en ik denk… 29 minuten! Top. Ik ga een rondje rennen. De dijk af, de trap op, de Zuiderbrug over, de volgende trap af, de straat over en dan verder naar de Stadsbrug. Mijn 29 minuten zijn om net voor ik de Stadsbrug op kan. Ik start het vrije loopprogramma om te zien hoeveel tijd ik nodig heb voor de laatste meters. Nog dik een kilometer dus. Wanneer ik over de Stadsbrug richting de dijk ‘zwalk’ weet ik weer waarom ik normaal keer: Nog 100 meter of nog 1000 meter lopen na een training: Het is een flink verschil. Een ware overwinning op mijzelf.

En toch… toch denk ik dat rondjes blijf lopen. Het is zo veel leuker dan op je schrede terugkeren.

© Rianne, 29 september 2014

Maas


4 reacties

Lamme Urgh 48: De laatste hindernis

Val je zomaar binnen en wil je meer weten over Urgh en zijn voorgeschiedenis, klik dan hier.

Wanneer de eerste dorpsbewoners zich verzamelen bij het grote vuur voor de grot van Elm in afwachting van de drie paren die zich de middag zullen gaan verbinden loopt Urgh samen met Elm en Krom naar de grot van Azel waar Meg, Pew en Gaya opgedoft en wel op hun toekomstige vuurpartners zitten te wachten. Klaar om naar het vuur te lopen. Klaar om over het vuur te stappen. Klaar voor een nieuwe fase in hun leven. 

Bij de eerste trommeltonen is het Azel die naar buiten loopt om de menige mensen voor de grot van de Dorpswijze in ogenschouw te nemen. Het trommelgeluid wordt harder en harder en de slagen volgen steeds sneller op elkaar. Ineens is het stil. Alleen de trommel vibreert nog na. ‘Kom kinderen’, zegt Azel, ‘Het is tijd om naar het vuur te gaan’. Azel draait zich om en wacht tot Yali zich bij hem gevoegd heeft. Dan begint hij te lopen, op de voet gevolgd door Elm, Meg, Pew, Krom, Urgh en Gaya. De kleine stoet wordt gesloten door een paar vrienden en familieleden van de zes jonge mensen.

De dorpsbewoners staan rondom de kom voor de grot van de Dorpswijze opgesteld, hun ogen gericht op het kleine, langgerekte vuur. Azel en Yali lopen door tot vlak voor het vuur en doen dan beide een stap opzij zodat Elm en Meg pal voor het vuur komen te staan. De trommelaar begint weer te trommelen. Nana komt uit de grot gelopen met de staf van de Dorpswijze in haar hand. Zij loopt door aan het vuur en kijkt over het vuur heen naar de zes jonge mensen. Nana tikt drie maal stevig met de staf op de grond. De trommelaar valt stil. Dan begint Nana met de stem van de voorouders te praten.

‘Welkom Elm en Meg, Urgh en Gaya, Krom en Pew. Welkom bij het vuur wat jullie zal verbinden of zal verteren.’ Nana, met achter haar de schimmige gedaanten van vele voorouders, kijkt de jongelui voor haar een voor een aan alvorens verder te praten. ‘Zodra ik je naam noem ga je zo dicht mogelijk bij het vuur staan en pakt elkaars beide handen vast. Ik tik dan driemaal met de staf voor het vuur waarna de voorouders jullie hart en jullie geest zullen navorsen. Wanneer ik weer driemaal met de staf op de grond tik springen jullie over het vuur of zien van de verbinding af. Hebben jullie dit begrepen?’

Zonder een antwoord af te wachten of op de blikken die op Urgh geworpen worden te letten gaat zij verder. ‘Elm en Meg, zijn jullie er klaar voor?’ Beide mensen knikken, doen nog een stap naar voren en pakken elkaar kruislings bij de handen. Nana tikt met de staf op de grond. Het kleine vuur laait ineens op. In het vuur dansen de voorouders, Ergh, Onna, de lange blonde man. Het ‘vorsen’ lijkt een eeuwigheid te duren maar dan tikt Nana weer driemaal met de staf op de grond. De voorouders trekken zich terug uit het vuur wat weer laag en klein wordt en de beide jonge mensen springen over het vuur heen. ‘Dan is het nu tijd voor het uitwisselen van de persoonlijke geschenken’, zegt Nana met de stem van velen. ‘Elm, jij begint’. Onder het toeziend oog van de Nana, de voorouders en de dorpsgenoten haalt Elm een snoer met twee grijze kralen te voorschijn. ‘Een kraal voor jou en en kraal voor mij’, zegt hij, ‘En ruimte voor heel veel extra kralen voor al onze kinderen’. Meg bloosd wanneer hij het snoer om haar nek hangt. De dorpsbewoners joelen. Dan pakt Meg haar cadeau voor Elm. Het is een armband van gevlochten leer met een haarlok van haar er tussendoor gevlochten. Elm steekt zijn arm uit en Meg knoopt de armband vast. Weer klinkt de stem van velen. ‘De voorouders zijn tevreden. Jullie zijn verbonden tot jullie anders verkiezen.’ Met haar eigen stem vervolgt Nana ‘Meg, zou jij daar’, en zij wijst naar een van de sledes die bij het kleine kookvuur dichter bij de ingang van de grot staat, ‘Willen gaan zitten, dan kan Elm nu de overige twee stellen verbinden zoals het een Dorpswijze betaamt’.

Terwijl Meg naar de slee loopt overhandigt Nana de staf aan Elm. ‘Krom en Pew’, begint Elm, en ook hij spreekt met de stem van velen, ‘Jullie weten wat er komen gaat. Zijn jullie er klaar voor?’. Elm kijkt beide jongen mensen aan de andere kant van het vuur even aan. Beide knikken van ja en slaan de handen kruislings in elkaar. Elm tikt drie maal met zijn staf op de grond. Weer laait het vuur hoog op en verschijnen de voorouders. Dit maal is vooral Joli, de moeder van Pew, prominent aanwezig. Sneller dan verwacht tikt Elm driemaal op de grond, dimt het vuur en springen Krom en Pew hand in hand over het vuur. ‘Jullie mogen nu de geschenken uitwisselen’, zegt Elm, ‘Om de verbinding te verzegelen. Krom, jij begint’. Voorzichtig pakt Krom zijn geschenk. Het is een prachtig bewerkte leren buidel ‘Zodat ik altijd bij je ben wanneer je kruiden zoekt, mijn medicijnvrouw’. Pew straalt wanneer zij de buidel aanneemt en aan haar gordel hangt. Dan pakt zij haar geschenk voor Krom, een armband. Deze is niet van gevlochten leer maar gesneden uit een stuk. Bovenop zit de tand van een holenleeuw bevestigd. Krom steekt zijn arm uit en Pew maakt de armband vast. Wanneer Elm de woorden ‘De voorouders zijn tevreden. Jullie zijn verbonden tot jullie anders verkiezen’ uitspreekt klinkt de stem van Joli boven alle andere stemmen uit. Op aanwijzing van Elm gaan Krom en Pew op een van de sledes zitten.

Elm richt zijn ogen op het overgebleven stel. ‘Urgh en Gaya, zijn jullie er klaar voor?’. Beide mensen aan de andere kant van het vuur knikken en gaan zo dicht mogelijk bij het vuur staan. Urgh draait zich half om en geeft zijn rechterkruk aan Azel, die vlak bij hem staat. Dan leg hij zijn rechterarm over de schouder van Gaya die zijn hand stevig vast pakt. Haar linkerarm slaat zij om zijn middel en haar hand zoekt zijn hand waarmee hij zijn linkerkruk vast houdt. Voorzichtig slaat hij een vinger over haar vingers heen. Elm tikt drie maal met zijn staf op de grond en het vuur laait op. In het hoog oplaaiende vuur herkennen Urgh en Gaya Onna en Kali, hun beider moeders. Maar ook Joli is er, Ergh, en de lange blonde man. Hun blikken gaan, net als de blikken van Elm, Nana en de dorpsbewoners naar de handen van het stel. Handen die elkaar zo anders vasthouden dan de overige stellen dit deden. Er verschijnt een lach op het gezicht van Onna. Haar stem klinkt ijl, maar voor iedereen goed verstaanbaar wanneer zij zich tot Kali wendt en zegt ‘Ik zei je toch dat Urgh hier wel iets op zou verzinnen.’ Kali antwoord met een schatterende lach. Elm tikt driemaal op de grond. Het vuur dimt tot het nog slechts een vage streep is. Urgh zet zijn linkerkruk over het vuur heen en dan ‘springen’ zij samen over het vuur er voor zorgend elkaar niet los te laten. Gaya blijft Urgh steunen totdat Tas hem zijn tweede kruk aanreikt. ‘Dan is het nu tijd om de geschenken uit te wisselen’, zegt Elm. Uit zijn buidel vist Urgh een leren veter met daaraan een grote groene kraal te voorschijn. De kraal glinsterd in het zonlicht. ‘Wat mooi’, zegt Gaya wanneer Urgh de ketting om haar nek hangt. ‘Hij kleurt bij je ogen’, zegt Urgh, ‘En die glimmen ook zo mooi’. Gaya giechelt zachtjes. Dan pakt zij haar geschenk voor Urgh. Qua ontwerp lijkt de armband op die van Krom, inclusief de tand van de holenleeuw. Alleen zitten hier ook nog twee groene kralen in vewerkt. Verbaasd kijkt hij naar de kralen en dan naar Gaya die net zo verbaasd kijkt. ‘Hoe.. Waar..?’ Gaya wijst naar Azel die dichterbij komt. ‘Hij heeft de armband gemaakt maar ik mocht er niet naar kijken’, zegt Gaya. ‘Grijze kralen voor hier’, zegt Azel, ‘Groene kralen voor daar’.

‘Urgh, Gaya, zouden jullie bij het vuur willen gaan zitten’, zegt Elm, ‘Dan kunnen de festiviteiten gaan beginnen’. Gaya loopt richting de sledes maar Urgh blijft staan. ‘Nee Elm’, zegt hij, ‘Ga jij maar vast zitten. Ik blijf nog even staan. Het is tijd voor mijn eerste taak als Dorspwijze van het Grottendorp aan de rivier alvorens we kunnen gaan feesten’.

© Rianne, 28 september 2014

Weet je nog die pot hazelnootpasta die je leeg hebt gegeten? Toet maakt een smakkend geluidje en zegt Dat was biologische pasta, da's toch gezond? Ik schud weer van nee.


7 reacties

Wat is loos?

De schrijfster van een van de eerste blogs die ik ging volgen was lichtelijk verslaafd aan speculoos en schreef daar met enige regelmaat over. Door haar kwam mijn Toet op het idee zoiets lekkers als hazelnootpasta gewoon maar uit de pot te lepelen. Tenslotte deed zij dat ook met de speculoos.

Ik begreep niets van haar voorliefde voor.  Waarom iets uit een potje op je boterham smeren wanneer je ook gewoon twee speculaasjes op je boterham kan leggen? Dat is ook lekker. Alleen… ik heb nooit speculaas in huis. Na vier boterhammen heb ik er genoeg van. Bovendien, speculaas op je boterham in je lunchzakje.. Echt… da’s niet lekker. De speculaas wordt zompig en zo.

Een week of wat geleden zat ik fysiek in een dipje. Fysieke dipjes betekenen bij mij altijd: extra eten. Extra eten betekent niet altijd gezond eten. Suiker en vet in de juiste combinatie geven het lijf een schijngevoel van optimale gezondheid. Die woorden mogen ook in een andere volgorde worden gezet. Maar dit terzijde.

Ik stond te aarzelen bij het schap met zoet en smeebaar beleg. De jam was al afgevallen. De strijd ging tussen drie versies pindakaas en drie versie hazelnootpasta. Ik ging naar huis met gewone pindakaas, gewone hazelnootpasta en een klein potje speculoos. Gewoon om het te proberen.

Na de eerste hap was ik verkocht. Ik weet nu waarom specoloos het perfecte ‘kom uit je dip-voer’ is. Het smaakt naar meer, het smaakt naar ouderwets lekker en…. het kruimelt niet.

Er zit maar een nadeel aan. Toet, leg die lepel neer en zet dat potje weg. Dadelijk barst je weer uit je velletje.

© Rianne, 27 september 2014

Zwijmelen op Zaterdag


13 reacties

Zwijmelen op Zaterdag 45

Begin juli 2012 werd, tijdens het afscheidsetentje van een collega, een nieuwe traditie geboren. Met andere woorden, het is niet bij dat ene (afscheids)etentje gebleven. Tussen toen en nu hebben er nog twee of drie bijeenkomsten plaatsgevonden. In mei van dit jaar vond ik het wel weer eens tijd worden voor een vervolg. Het duurde nog tot augustus van dit jaar voordat ik iets deed met het idee ‘het wordt wel weer eens tijd’. Hoewel alle mee-eters het een goed idee vonden viel het niet mee om een geschikte dag te vinden. Zeventig datums heb ik doorgegeven en uiteindelijk was er slechts een waarop we alle zes konden.

Gisteren was het zo ver. We zijn trouwens niet naar Tom’s diner gegaan. Sterker nog, Tom was niet eens uitgenodigd. ;-) Nog iemand er bij om datumtechnisch rekening mee te houden … ik geloof niet dat ik dat gered had.

Suzanne Vega – Tom’s diner

 

Voor meer Zwijmelen op Zaterdag verwijs ik eenieder met liefde en plezier naar Marja, Opperzwijmelaarster.

© Rianne, 24 september 2014

Toet badkamer


12 reacties

Nat

Ooit, beginjaren tachtig, was ik treinstudent. Nee, ik bestudeerde geen treinen, maar gebruikte de trein als vervoersmiddel om naar en van mijn studieplek te reizen. Onbewust leer je dan toch wel heel veel van de trein, het spoorboekje en eventuele alternatieve routes. Echt, daar hadden wij vroeger geen app voor nodig. Ons hoofd was voldoende. Maar dit terzijde.

Buiten een half uurtje treinen fietste ik zowel in mijn thuisstad als in mijn studiestad nog een kwartiertje. Aangezien de ‘school’ (toen had je op het HBO nog gewoon klassikaal les net als in je middelbare scholieren tijd… -Men, wat ben ik oud) pas om half 10 ‘s-morgens begon was dat allemaal reuze relaxt. Love, peace and understanding zal ik maar zeggen.

Op een wonderschone dag fietse ik van school naar station. Plotsklaps (ik zal maar niet zeggen dat buienradEr toen nog niet bestond, wij ‘moesten het doen’ met Jan Pelleboer) begon het te regenen en niet zo zuinig ook. Binnen een paar tellen was ik doorweekt. Ik stalde mijn fiets, liep het perron op en had geluk. De trein stond al voor me klaar.

Al druppend en druipend stapte ik in. Al bibberend reisde ik naar huis. De lucht werd elke minuut lichter en tegen de tijd dat ik mijn thuisstad had bereikt was het stralend zomers weer. Nog een beetje nadruppend haalde ik daar mijn fiets op en begon aan het laatste deel van mijn reis. Ik kwam een lolbroek tegen die vroeg of ik via het kanaal was komen fietsen. ‘Ja, dat is nu eenmaal de kortste route’, gaf ik als antwoord terug en fietste met zo’n vies plakkende broek naar huis.

Hoe ik hier zo ineens bij kom? Nee, niet door de jaren 80 week van radio 2 (al is dat wel genieten). Wel door die regenbui die ik woensdag aan het eind van de middag in mijn werkdorp op mijn nek kreeg waardoor ik  binnen 75 meter nat tot op mijn ondergoed was. Drie keer raden wat voor weer het in mijn thuisstad was? Juist ja.

Een ding was er anders: Aan de plassen kon ik zien dat die bui eerst over Venlo was getrokken alvorens Venray op te zoeken.

© Rianne, 24 september 2014

Toet - zuster


5 reacties

Opzij opzij opzij

Wanneer je zoals ik woonachtig bent binnen een straal van 500 meter van een ziekenhuis kom je wat vaker dan ‘normaal’ een ziekenauto met gillende sirene en zwaaiende zwaailichten tegen. En toch went het nooit en blijft er altijd even een splitsecond dat ik denk… Help, wat moet ik nu doen?

Zo ook dinsdagmiddag op weg van werk naar huis. Ja, met Gerrit op de motorkap. Ik sta voor het stoplicht te wachten. Ineens hoor ik de sirenes, ik zie zwaailichten. Snel kijk ik om mij heen en zie hoe een ambulance vanaf de parkeerplaats de weg op draait en mijn kant op rijdt. Opgelucht haal ik adem. Da’s de andere kant van de weg. Ik hoef niet te handelen.

Ik zie nog meer blauwe zwaailichten. Dit keer van een politieauto. Het is goed raak denk ik. Maar weer speelt het zich aan de andere kant van de groenstrook af. Ineens zijn daar nog meer blauwe lichten, hoor ik nog meer sirene. Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel, kijk snel naar het kruispunt, zie nog een politieauto, overzie de hoeveel vrije ruimte die er is en rijd door het rode stoplicht naar rechts een stukje het lege kruispunt op zodat de ambulance die met loeiende sirens en zwaaiende zwaailichten ineens achter mij verschijnt door kan ‘vliegen’.

Dan haal ik diep adem, negeer alle stoplichten en de politieauto die staat te wachten, steek het lege kruispunt verder over en draai ‘mijn straat’ in. Voorlopig spiegel ik weer als een gek en weet: Ik zal nooit wennen aan een achteropkomende ambulance met haast.

© Rianne, 23 september 2014


12 reacties

Niet gecheckt!

10665901_1051398458222940_8158165222209252447_n

 

Hoewel ik van de week bovenstaande plaatje inclusief tekst deelde op mijn Facebookpagina moet ik tot mijn schande bekennen dat ik dinsdag, bij het instappen, niet gekeken heb of er een beestenbeest tussen band en chassis zat en/of onder de auto lag. De mototkap was wel vrij, dat wist ik 100% zeker.

Al rijdend op de snelweg, halverwege tussen huis en werk zie ik ineens iets vreemd op de ontluchtingsgaten onder het raam zitten. Ik heb een lifter. Een slak die acuut de naam Gerrit (Gary) kreeg omdat de slak van Spongebob ook zo heet. Iets te veel Nickelodeon gekeken in Yep’s jonge jaren. dat moge duidelijk zijn. Als een halve zool let ik de rest van de reis niet alleen op het verkeer maar ook op Gerrit. Hij kruipt in zijn huisje, komt er weer uit. Hij kruipt richting de motorkap en kruipt weer terug. Zo lang er beweging in zit ben ik eigenlijk wel gerustgesteld. Dat betekent dat Gerrit nog niet gekookt of gebakken is. Eigenlijk ziet het er wel gezellig uit… Gerrit op de motorkap met de wind in zijn voelsprieten.

Eenmaal in Venray overweeg ik Gerrit van mijn motorkap af te halen en in het gras te zetten maar aarzel. Ik ben niet bekend met de territoriumdrift van slakken en wil het niet op mijn geweten hebben dat de Venloose Gerrit achterna wordt gezetten door een stel Venrayse hooligangs.

Negen uur later zie ik dat Gerrit het zich gemakkelijk heeft gemaakt naast mij ruitenwisser en samen aanvaarden we de weg naar huis. Wijs geworden van de heenweg blijft Gerrit doodstil tegen de ruitenwisser aangeplakt zitten zodat er geen wegwaaigevaar bestaat. Thuisgekomen pak ik Gerrit van zijn veilige plekje af (dat viel nog niet mee want hij zat lekker te slijmen) en zette hem op het parkeerterrein bij een boom op de grond. In gedachten hoorde ik de vrouw van Gerrit al weer helemaal blij zijn omdat hij zonder kleerscheuren, en zonder huisbreuk, thuis is gekomen.

Ja, ik beb een beetje maf. Maar het doet geen pijn.

Het is allemaal de schuld van Spongebob!

© Rianne, 23 september 2014

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 116 andere volgers