Afscheid

Miss SCMorgen is het zo ver. Dan ben ik na 13,5 jaar P&O-er af en treed toe tot het Gilde der ICT-ers. Eigenlijk is het slechts een formaliteit. Mijn collega-beheerders en ik delen al bijna twee jaar een kantoor en worden al sinds 1 januari 2013 door een van de ICT-managers functioneel aangestuurd. Hiërarchisch stapte mijn twee collega’s per de eerste van dit jaar over. Ik ben dus niet het eerste schaap over de dam, maar het laatste. Het is weer eens wat anders.

Qua werk verandert er niets. Nou ja, bijna niets. Met het wijzigingen van mijn plaats binnen de organisatie wordt het voor mij gemakkelijker de formele lijnen te volgen en niet (automatisch) terug te schieten in vroegere rollen. Het wordt nu makkelijker verantwoordelijkheden daar te leggen waar ze thuis horen. Vanaf het moment dat ik hoorde dat ik (eindelijk) over ging ben ik daar mee begonnen.

Een ding verandert wel. Ik heb mijn telefoon ingeleverd. De telefoon die ooit van mijn voormalig collega Miss SC was en die zij op de dag van haar vertrek uit de instelling aan mij mocht geven. Eindelijk was deze toen nog enorme flex-werker telefonisch bereikbaar en ik had een permanent aandenken aan Miss SC.

Ondertussen ben ik bijna vergroeid met mijn werkplek, krijg ik nog maar nauwelijks telefoon en krijg ik dagelijks vragen voorgeschoteld die mij met weemoed aan onze tijd samen doen denken. Haar vergeten zit er niet in. Zelfs niet zonder telefoon. Dus… heb ik de telefoon leeg gepoetst, een voicemail ingesproken (Dit nummer is momenteel niet in gebruik. Laat na de piep geen boodschap achter. U zult niet teruggebeld worden!), de fabrieksinstellingen hersteld en de telefoon teruggegeven aan de man die tot vandaag mijn manager is.

Het voelt definitief. Het voelt goed.  Wat wil een mens nog meer?

© Rianne, juli 2014

internet addiction

Het voelde een beetje vreemd zondagavond. TV kijken met onverdeelde aandacht. Het gevolg was dat ik na een aflevering CSI NY en een aflevering Bones wel genoeg gezien had en naar bed ging. Wat op zich ook best bijzonder is omdat ik na het uitzetten van de TV meestal nog even wat over Facebook struin om te zien of ik iets ‘gemist’ heb. Wat ook weer kolder is want normaal schuim ik tijdens het TV kijken het net gewoon af.

Maar goed: Ik lag op tijd in bed, viel zowaar vlot in slaap en werd daardoor de volgende ochtend ruim voor het aflopen van de wekker wakker. Die staat op maandagochtend wel redelijk laat afgesteld (het is tenslotte mijn vrije dag), maar toch. De eerste keer dat ik wakker werd was mijn normale doordeweekse opsta-tijd.

Ik begin met koffie en mijn ontbijt. Niet geheel volgens de afspraak kijk ik eerst even op Twitter, retweet een paar berichtjes, lees een leuk blog en schoon dan de lijst met mensen/organisaties die ik volg op. Er verdwijnen zo 40 items de prullenbak in. Tevreden open ik, nog steeds tegen de afpraken in, Facebook. Ik bekijk mijn meldingen (sorry), lees daar dat ik een typefout in Lamme Urgh heb gemaakt en herstel die. Daarna schoon ik daar de lijst met ‘Vind ik leuks’ op.

Dan zijn zowel mijn ontbijt en mijn koffie op en begin ik met poetsen. Anderhalf uur later, het is dan half 11 (het tijdstip waarop ik normaal pas van de bank af kom) is mijn huis schoon en kan ik gaan douchen. Maar niet voordat ik een afspraak met de Trolleybrigade heb gemaakt.

Rond twaalf uur maak ik mijn lunch klaar en kruip op de bank met de bedoeling om dit blog te schrijven. Ik blijk geen internet meer te hebben en rustig ga op onderzoek uit. Het euvel is zo gevonden: Al poetsend heb ik (of was het Me of Myself) het modem uitgezet. Best een strakke actie vind ik zelf. ;-) Dan is het tijd om mijn spullen te pakken en richting Venray te tuffen. Voor mijn gevoel heb ik nog een hele dag voor mij liggen.

© Rianne, juli 2014

Zou ik het kunnen?

Wanneer ik lees dat het er op lijkt dat ‘wij’ niet meer face tot face met elkaar communiceren maar dat alles via het net lijkt te gaan en dat niemand meer zonder zijn/haar mobieltje kan dan voel ik mij niet aangesproken. Tijdens het werk zit mijn telefoon in mijn tas en ik kijk er nauwelijks op. Alleen die incidentele keer dat er een appje binnenkomt en ik hoor het piepje toevallig dan kijk ik even van wie het is. Negen van de tien keer zal ik niet meteen reageren maar wacht daar mee tot na werktijd. Beter bewijs van niet verslaafd zijn is er haast niet. Toch?

Eenmaal thuis is het ineens een ander verhaal. Nee, die telefoon heb ik nog steeds niet vaak vast maar wel mijn laptop. Die gaat aan wanneer ik thuiskom, en pas uit wanneer ik naar bed ga. Ik moet even Facebook, Twitter en Bloglovin’ checken. Ik kijk even op OuderAlleen. Loop mijn drie mailboxen door. Lees de reacties op Wiebeltjes. En begin dan van voren af aan. Tussendoor speel ik nog even een paar spelletjes. Alleen om te wandelen, boodschappen te doen of om uit eten te gaan leg ik de laptop even aan de kant. In het weekend idem dito.

Diep in mijn hart weet ik dat ik verslaafd ben aan internet en dat dat, en niets anders, de reden is van het nauwelijks lezen en het niet studeren. Zelfs het regelmatig wandelen en rennen komt erdoor in het slop. Diep in mijn hart weet ik dat ik iets met mijn verslaving moet doen. Ik gooi er een spelletje uit maar besteed nog steeds even veel tijd op het net. Er is altijd wel wat te lezen, te volgen, te liken, te reageren. Dat mijn muishand weer opspeelt negeer ik.

Zondagochtend sta ik op met het idee ‘vandaag ga ik drastisch minderen’. Dus niet. Dan lees ik het blog van Harriëtte over ‘een media vakantie’ en ik weet… Dit is het moment om iets aan mijn verslaving te doen. In een impuls deel ik haar blog op mijn Facebook prikbord en zeg dat ik met haar mee ga doen. Met dien verstande dat ik wel blijf bloggen en blogs blijf lezen. Om te voorkomen dat ik daar ineens zes uur aan kwijt ben schoon ik de lijst van blogs die ik volg meteen op. Ik zet de laptop uit en pak mijn telefoon. Via de instellingen zet ik alle meldingen van Facebook, Twitter en WordPress uit.

Dan pak ik de stapel tijdschriften die al sinds de vakantie wachten om gelezen te worden en ga buiten in de zon zitten. Cold Turkey is de beste methode voor mij. Ik ben benieuwd of ik de week ga volhouden en zo ja, wat er deze week allemaal uit mijn handen gaat komen. Jullie lezen het wel.

© Rianne, juli 2014

Val je zo maar binnen en wil je meer weten over Urgh en zijn voorgeschiedenis lezen, klik dan hier.

Urgh’s wangen en oren krijgen een diepe rode kleur en dan zegt hij, ‘Dat kan, maar ik zou het erg prettig vinden wanneer Gaya mijn grot wil delen’. Hij kijkt de medicijnvrouw recht in de ogen en zegt ‘Ik weet dat Onna je gevraagd heeft mij nog een kans te geven. Gaya, zou jij mijn vuurpartner willen worden?’.  Voor Gaya antwoord kan geven komen Azel, Yali samen met de jongens en de vrouwen het pad opgelopen. Even later herhaalt Urgh de grot-indeling waarnaar iedereen zijn / haar slaapspullen pakt om daarna in de aan hen toegewezen grot een plekje te zoeken.

Wanneer Gaya met een slaaprol de kant van zijn, nee hun, grot oploopt slaat Urghs’ hart over. Dan ziet hij dat het zijn slaaprol is. Langzaam loopt hij achter haar aan de grot in. Voor hij iets kan vragen zegt Gaya, terwijl zij zijn slaaprol uitspreidt, ‘Het antwoord is ja, Urgh. Ik wil graag je grot delen. Maar nu nog niet. Pas na de ceremonie, na het uitwisselen van de giften. Tot die tijd slaap ik, net als in het dorp, in de grot van Azel en Yali’. Gaya draait zich om en kijkt hem aan. ‘En jij moet nieuwe afspraken met Azel maken. Volgens de onderhandelingen zouden we aan zijn vuur gaan wonen, en zou jij hem gaan helpen. Dat zie ik nu niet meer gebeuren, nu je de Wijze van Grotten gaat worden’. Gaya zwijgt even en vraagt dan ‘Kan jij het hier mee eens zijn Urgh?’. De man knikt stralend van ja. Die zestien manen tot aan de ceremonie kan hij nog wel wachten nu hij weet dat Gaya zijn vuurpartner wil worden’. ‘ja Gaya’, zegt hij, ‘Daar ben ik het mee eens en ik beloof je om eerst na te denken voordat ik iets stoms doe’. Lachend slaat Gaya haar armen om Urgs’ middel. ‘Maak geen beloftes die je niet kunt houden Urgh’, zegt ze dan, terwijl Urgh zijn rechterkruk laat vallen om zijn rechterarm om haar heen te slaan en de vrouw stevig tegen zich aan te drukken. ‘Ik ga mijn best doen’, zegt hij dan, ‘Echt Gaya, ik ga mijn best doen. Tenslotte heb ik nu een hele goede reden om niet versneld naar de voorouders te willen gaan’. Urgh begraaft zijn gezicht in Gaya’s haren. Stil staan ze dicht tegen elkaar aan. 

Veel te snel worden ze gestoord door Kleintje die de grot in rent en enthousiast tegen beide mensen aanspringt om er daarna vrolijk yelpend weer vandoor te gaan. Gaya bukt zich en raapt de gevallen kruk van Urgh op. ‘Ik ga mijn eigen slaapplek maar eens in orde maken’, zegt zij en huppelt de grot uit, op de voet gevolgd door Urgh. Ze komen niet ver. Voor de grot staan Zan, Azel, Yal en Tas op hun te wachten. ‘Hèhè, eindelijk’, zegt Zan, terwijl Yali Gaya vastpakt en een stevig knuffelt. ‘Ik dacht dat het nooit meer goed zou komen’, zegt Tas terwijl Azel gelijktijdig ‘Goed gedaan jongen’, zegt. De vijf mensen schieten in de lach.  ‘Dit is mooi nieuws om vanavond voor het uitdelen van de opdrachten voor morgen mede te delen’, zegt Yali. Een verbintenis bij de start van een nieuw dorp of kamp is een goed teken. Een teken dat de voorouders met ons zijn. Maar nu moeten we eerst zorgen voor eten voor vanavond en dat alle spullen opgeborgen worden. Ik stel voor dat Azel en de jongens dadelijk een grote vuurplaats boven op de weide maken, dan kunnen wij daar beginnen met koken’. Met die woorden loopt Yali weg.

Die avond, na het eten maar voor het verdelen van de taken neemt Zan het woord. ‘Ik wil jullie even laten weten dat tijdens de zomerzonnewende-ceremonie ook mijn Zorgzoon Urgh en Azel’s vuurdochter Gaya zich zullen verbinden’. Het bericht wordt met gejoel, handgeklap en voetgestamp begroet. Iedereen is enthousiast. Bijna iedereen. Ineens springt Sim, de zus van Yali op, gaat met ogen die vuur spuwen voor hem staan en roept ‘Ben jij onze verbintenis-belofte vergeten Urgh?’ “WAT!’, roept Gaya maar voor zij meer kan zeggen is Yali daar. ‘Stil jij’, zegt zij tegen Gaya. Yali grijpt Sim bij haar schouders en schudt haar stevig door elkaar. ‘Urgh is niets vergeten Sim, jij bent iets vergeten. Jij wilde niets met een lamme te maken hebben, weet je nog. Jij wilde niet verbonden blijven met een man die nooit meer zou kunnen lopen. Die nooit meer een jachtleider zou zijn. Die misschien het  hulpje van een vakman kon worden. Jij hebt zelfs jullie kind weg laten halen zodat niets je meer aan Urgh zou herinneren. En nu wil je Urgh daar de schuld van geven? Jij had niet eens het fatsoen te wachten totdat hij ver genoeg opgeknapt was dat hij je kon antwoorden. Je kon niet eens wachten tot het moment van de nieuwe onderhandelingen.  Je gooide het voor zijn voeten terwijl hij voor zijn leven aan het vechten was’. Yali geeft haar zus een stevige draai om haar oren en zegt ‘Morgen pak jij je spullen en gaat terug naar het dorp. Jij hebt hier niets maar dan ook niets te zoeken’.

Woest rukt Sim zich los uit de greep van haar zus. ‘Ik wacht niet tot morgen, ik ga nu al’, gilt zij, terwijl zij het pad af rent, op weg naar de middelste grot. In haar haast zet zij haar voet op een stuk vol grind neer. Het grind begint te schuiven, Sim verliest haar evenwicht en met een ijselijke gil valt zij naar beneden, en land op haar rug op het met vuurstenen bezaaide strand. Dan is zij stil. Net zo stil als het gezelschap rond het vuur.

© Rianne, juli 2014

Ontploft

foto 2

Dagelijks doen er zich grote of kleine dingen voor waarvan ik denk ‘Daar zit een blog in’. Zoals zaterdagochtend tijdens het controleren van de handdoek die tussen het bad, de muur en de kast geklemd zit om het water wat tussen het kit en het douchescherm door loopt op te vangen. De handdoek voelt droog onder mijn voet en ik denk ‘He, ik geloof dat daar iets goed gaat’. Meteen realiseer ik mij wat een vreemde gedachtengang dat is. Ik ben een positief ingesteld mens, dus waarom denk ik dat er iets goed gaat? Daar ga ik toch als vanzelfsprekend van uit? Ik hoef toch alleen maar iets te registreren wanneer er iets ‘niet goed’ gaat?

Terwijl mijn gedachten zich over het onderwerp positief / negatief buigen maak ik het bad en de wastafel schoon en zet een eerste was in. Wat later wordt de eerste was gevolgd door een tweede was en wanneer ik wat later op de dag langs de badkamer met een daarop een krachtig centrifugerende wasmachine loop hoor ik ineens ‘plop’. Het geluid van iets wat valt. ‘Waarschijnlijk  is de dop van het ventilatiegat van de droger af gecentrifugeerd’, denk ik.

Wanneer ik even later de badkamer oploop valt mijn oog op een oranje dop met witachtig schuim wat in de wasbak ligt. ‘Wat doet die dop van de slagroombus hier in de badkamer’, vraag ik mij af, net voordat ik mij realiseer dat ik geen slagroom in huis heb en die doppen altijd wit zijn, niet oranje. Dan valt mijn oog op de bus scheerschuim van Yep die duidelijk ontploft is.

Een beter bewijs dat de temperatuur in mijn huis de laatste paar dagen flink aan het oplopen is is er niet. Een beter bewijs dat drijfgassen rotzooi zijn en nog ‘gevaarlijk’ ook trouwens ook niet. Wanneer ik het later die dag aan Yep vertel is zijn reactie ‘Tijd om van dat dieet af te gaan als je denkt dat scheerschuim er als slagroom uitziet’.  En dan te bedenken dat ik helemaal niet op dieet ben.

© Rianne, juli 2014

WE-300: Gedenken

Pap tekenenWat had Yep een verdriet. Niet alleen om het overlijden van zijn opa maar ook omdat Meneer Pastoor had gezegd dat hij als ongedoopte heidenen naar de hel zou gaan terwijl opa naar de hemel was gegaan. Hij zou zijn opa nooit meer zien. Zo veel verdriet was te veel voor jou en in een aanval van toegepaste theologie zei je dat Meneer Pastoor er helemaal niets van wist en dat opa op een mooie wolk op Yep en de andere familieleden neerkeek. ‘Zal ik eens wat zeggen. Later als ik dood ben dan ga ik naar diezelfde wolk toe en dan kijken we samen naar jou. Tenminste, als we niet aan het klaverjassen zijn. En weer later, wanneer jij dood gaat, dan is er voor jou ook een plaatsje op die wolk, net als voor iedereen die je niet kunt missen’.  Yep was meteen gerustgesteld, zijn verdriet getemd en hanteerbaar.

Je bedoeling was goed. Jullie vonden klaverjassen leuk en je kon het prima met de andere opa van Yep vinden. Misschien vertoef je ondertussen ook op die wolk hoewel ik dat waag te betwijfelen. Voor mijn gevoel ben je nog gewoon hier, om mij, om ons heen. Jij, mijn vader.

Niet de man die mijn vader niet meer was. Niet de man die door kabouter Alzheimer veranderde in een bij tijd en wijle agressieveling vol waanbeelden en fysieke mankementen die maakte dat het leven met jou op die momenten schier onmogelijk was, zelfs voor jezelf.

Wel de rustige man met het puzzelboekje, twee rechterhanden en een topografische kennis waar ik nog altijd jaloers op ben… Ik zie je in mijn broer, hoor je in de verhalen, herken je in mijn kind, voel je in mijn hart. Ik ben dankbaar dat je een jaar geleden de kabouter hebt verslagen. Kuszzz.

Dit blog is geschreven in het kader van Platoonline’s schrijfopdracht WE-300. Het woord voor deze maand: Gedenken. Een beter woord voor deze maand, deze dag had Plato niet kunnen bedenken. Voor meer ‘WE-300 verhalen klik hier.

© Rianne, juli 2014

Al wat ik vraag

Wanneer ik op Social Media (in de breedste zin van het woord) rondsnuffel lees ik dat ik respectloos ben, geen compassie heb, misschien wel een paria ben. Dat ik mij moet schamen, dat ik eigenlijk mijn rechten om mijzelf als Nederlandse te bestempelen verspeeld heb. En waarom?

Ik ben net zo geschokt als de rest van Nederland over het neerhalen van vlucht MH17 vorige week donderdag en leef mee met de nabestaande van de slachtoffers.

Ik vind dat er, zeker voor de nabestaanden, zo respectvol mogelijk omgesprongen moet worden met de stoffelijke overschotten en dat er alles aan gedaan moet worden om de slachtoffers zo snel mogelijk te identificeren zodat zij aan de nabestaanden overgedragen moeten worden.

Ik heb geen goed woord over voor de persoon die de opdracht tot het neerhalen van de MH17 heeft gegeven, of het nu een vergissing was of niet.

Alleen…

Ik vind het niet alleen erg voor de Nederlandse slachtoffers en nabestaanden, ik vind het erg voor alle slachtoffers en nabestaanden.

Ik begrijp waarom de separatisten begonnen zijn met het ‘ruimen’ van de stoffelijke overschotten om ze verpakt in bodybags en soms plastic zakken op te slaan in koelwagons. Wanneer de lichamen een dag of vijf bij 35 graden Celsius op het rampgebied waren blijven liggen was dat proces er niet gemakkelijker op geworden.

Weet dat het voor mij niet uitmaakt of er een vrachtvliegtuig van Oekraïense bodem of een vliegtuig vol toeristen neer wordt gehaald. Ik verafschuw en veroordeel  beide daden. Ook in een vrachtvliegtuig zitten mensen, ook dan vallen er doden. Burger doden. Mensen als jij en ik die niet gevraagd hebben om slachtoffer te worden van oorlogshandelingen.

Ik snap dat door het hoge aantal Nederlandse doden, veroorzaakt door een oorlogshandeling van een bewoner van een land (dat wij niet erkend hebben) waar wij niet in oorlog mee zijn er een gevoel van ‘wij zijn aangevallen’ is ontstaan. Maar telt ‘ons’ lijden zwaarden dan ‘hun’ lijden?

Diep van binnen kan ik zelfs nog de roep om een dag van nationale rouw begrijpen al voorzie ik wel hoe dit nu en in de toekomst verwarring oproept bij nabestaanden van slachtoffers van rampen uit het verleden en slachtoffers van nog te komen rampen.

Weet dat..

Ik niemand vraag om het eens te zijn met mijn zienswijze. Ik veroordeel niemand wanneer zij middels lintjes, statussen en foto’s hun medeleven willen tonen. Ik ga geen ruzie met je maken wanneer je uitsluitend over de 193 Nederlandse slachtoffers spreekt (hoewel, ik las net voor het schrijven van dit blog ineens het aantal van 194) terwijl deze ramp voor mij 298 slachtoffers kent. Iedereen toon medeleven, iedereen voelt rouw op zijn / haar manier. Geen enkele manier is goed of slecht. Dus ook mijn manier van weinig uiterlijk vertoon niet. Oftewel:mijn manier, mijn zienswijze in deze maakt niet dat ik een paria ben die de ‘titel’ Nederlander niet waard is.

Als laatste… 

Als laatste wil ik nog wel melden dat ik de een minuut stilte en het spelen van de ‚last post’ na het landen van de vliegtuigen met de stoffelijke overschoten hartverwarmend vind. Vooral omdat niemand weet wie er in welk vliegtuig thuis komt cq op doorreis is worden alle slachtoffers van deze ramp op dezelfde wijze geëerd. Zoals het ‘ons Nederlanders’ betaamd (als je het mij vraagt).

© Rianne, juli 2014

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 176 andere volgers

%d bloggers like this: