Wiebeltjes

Blog van een fifty-something

Toet Reizen


7 reacties

Ik voel mij rijk..

Je kunt de dingen nog zo goed plannen, er bestaat altijd de kans dat er ‘iets’ gebeurt wat roet in het eten gooit. Het plan waar ik het over heb is ‘Harriëtte brengt mij na mijn onderzoek naar huis’, het roet is een spoed MRI voor Harriëtte die gepland staat ongeveer aansluitend aan mijn ontslag.

‘Geen nood’, zei ik tegen Harriëtte toen ze me belde. ‘Ik vraag Anita wel’. Anita is ook een tot vriendin getransformeerde collega en werkzaam op dezelfde locatie als waar ik mijn onderzoek krijg. Ik gooide de vraag in een gezamenlijke app-groep maar nog voor Anita kon reageren kregen wij een berichtje van Harriëtte dat haar echtgenoot meer dan genegen was om mij even naar huis te brengen. Iets met twee vliegen in een klap. Ik veilig thuis en hij in de buurt voor het geval Harriëtte emotionele support nodig heeft na de MRI. Bij dat ‘meer dan genegen’ stonden nog wat lieve woorden en ik werd er gewoon een beetje emotioneel van. Toen Anita even later reageerde dat zij dan vrij was maar dat het geen probleem was om even naar Venlo te komen om mij naar huis te brengen werd ik nog een beetje meer emotioneel. Warm van binnen en zo. En ik had een luxe probleem. Twee chauffeurs voor een stukkie waar ik in goede doen 7 minuten over wandel is wat overdreven.

De oplossing: Anita geniet lekker van haar vrije dag en Echtgenoot brengt mij naar huis. En mocht ik ‘s-middags even een zuster Klivia nodig hebben, hoef ik Harriëtte maar te contacten.

Ik voel mij een rijk mens met al die lieve mensen om mij heen.

En ik ben superblij dat ik niet bij Yep op de stang van de fiets naar huis hoef!😉

© Rianne

keep-calm-because-karma-s-a-bitch-2


4 reacties

YNAB #16: Pfff, water op…

Maandag middag kom ik thuis en draai gewoonte getrouw de verwarming omhoog en begin met koken. Friet met (glutenvrije) snacks. Lekker makkelijk. Ik zet de airfryer aan, kwak de friet er in en bekijk dan het pannetje met vet waar ik normaal de bitterballen in bak. Het vet zag er niet echt florisant meer uit. Ik pak een schoon pannetje en vul dit met olie en daarna giet ik de vieze olie over in de inmiddels lege fles. Het nu lege pannetje zet ik in de gootsteen en ik draai de warme kraan open.

Het water wordt niet warm….

‘Niet weer die driewegklep’, denk ik en loop naar de verwarming. Die is ook ijskoud. ‘SJips, dan is er vast meer aan de hand’, denk ik. Tussen het patat bakken door haal ik het ketelhok leeg en zie een foutcode, F22. Ik haal de gebruiksaanwijzing van de ketel te voor schijn en lees ‘Te weinig water of vastgelopen pomp’. Ik hoop natuurlijk het eerste maar in het kader van Murphy’s Law verwacht ik het tweede. Iets met al op leeftijd zijn. Bovendien lijkt het er op dat het universum niet wil dat er in dit huis een nieuwe badkamer komt.

Yep komt thuis precies op het moment dat het eten klaar is. En dan.. Dan mag hij zich op de ketel storten. Hoewel de wijzer op de drukmeter nog in het groene vlak staat is bijvullen de eerste stap. Maar wij beide hebben dat nog nooit eerder gedaan. But Google is our friend en even later is de ketel gevuld. De stekker ging terug het stopcontact in en… de temperatuurmeter liep weer keurig op. Kon ik eindelijk dat vuile pannetje afwassen en Yep lekker warm douchen.

Pfff… Opluchting!

Al was het maar omdat het potje ‘Stuf I forgot to budget for’ nog niet helemaal aangevuld is na de vorige onverwachtse aanslag..

© Rianne

05_ingestonken


12 reacties

Leuke datum

Weten jullie nog van mijn darmprobleempjes? En dat ik door de huisarts door ben gestuurd naar het ziekenhuis voor een darmonderzoek? Nou, afgelopen donderdag stond de intake op de planning. Keurig op tijd meldde ik mij ‘s-middags op mijn tijdelijke werkplek zodat niets een tijdig op tijd op mijn afspraak verschijnen in de weg stond. Behalve ikzelf dan. In een poging zo min mogelijk afleiding te krijgen liet ik outlook dicht staan waardoor ik de melding ‘over een kwartier moet je op poli 58 zijn’ dus niet kreeg. Gevolg: Ik was 10 minuten te laat. De verpleegkundige waar ik een afspraak mee had dus niet. Die was keurig op tijd. Schaam schaam.

De intake stelde niet zo gek veel voor. Al mijn antwoorden op het intake formulier waren duidelijk en de verpleegkundige kun overgaan tot de orde van de dag: de uitleg van het onderzoek. Ik kreeg een folder, een recept voor twee soorten laxeermiddelen en uitleg over  het innemen van die laxeermiddelen. En toen noemde zij de geplande datum voor het onderzoek.

‘Leuke datum’, zei ik met een grijns. Meteen schoten haar ogen naar mijn geboortedatum in het dossier. ‘Oh jee’, zei zij, ‘Dat is niet echt leuk. Wil je…?’ Haar vraag bleef in de lucht hangen. Ik haalde mijn schouders op. ‘Laat maar gewoon staan’, zei ik toen. ‘Ik heb die dag niets op de planning en het kan maar gebeurt zijn’.  De opluchting stond op haar gezicht te lezen en zij ging weer over tot de orde van de dag door mij te vertellen dat het een halve dag-opname betreft, dat ik niet alleen naar huis mag en dat ik ‘s-middags maar beter niet kan werken vanwege de restjes verdoving.

Rest mij nog te vertellen dat Harriette meteen ja zei toen ik haar vroeg of zij mij na ontslag naar huis wilde brengen en dat zij het ook gaat regelen dat, mocht zij van mening zijn dat het onverantwoord is dat ik alleen thuis blijf, ‘s-middags gewoon bij mijn kan blijven om Zuster Clivia te spelen. Werd ik toch nog even warm van binnen!

© Rianne

Boek van Urgh


2 reacties

Boek van Urgh 130: Hulp uit onverwachtse hoek ..

De volgende avond is Elm nog niet klaar met eten wanneer de kleine gestalte van Voorvader Eén al in het vuur verschijnt. Met een gezicht waar het ongeduld vanaf te lezen is wacht de schimmige gestalte tot Elm zijn kom leeg heeft en een slok van zijn thee genomen heeft. Dan gaan zijn handen verder met vertellen.

‘Krkt slaapt nog maar net wanneer het meisje hem wakker schudt. Even weet hij niet waar hij is en schrikt van de aanraking van een ander mens. Dan weet hij het weer. Hij kijkt het meisje aan. Ziet haar handen bewegen maar het is te donker voor hem om te zien wat zij zegt. Het meisje duwt hem aan de kant en schuifelt, met een van pijn vertrokken gezicht, tussen de huiden uit richting de ingang van de grot. De scherpe geur die zijn neusgaten bereikt verteld hem dat zij haar ochtendbehoefte heeft gedaan. Krkt staat op en kijkt voorzichtig om de hoek van de grot of hij mens of dier ziet bewegen. Hij ziet niets maar hij weet dat dat weinig wil zeggen. Op zijn hoedde loopt hij de grot uit naar een paar struikjes die een stukje bij de ingang vandaan staan om zijn ochtendbehoefte te doen. Zijn aandacht wordt getrokken door het geluid van kabbelend water. Gespannen om zich heen kijkend leidt het geluid hem naar een kleine bron, gelegen in de ingang van een grot die nog kleiner is dan de grot met de voorraden. Naast de bron liggen wat stukjes uitgehold hout. Krkt laat zich op zijn knieën naast de bron vallen en begint gulzig te drinken. Pas wanneer zijn dorst gelest is bekijkt hij de kleine grot bij het licht van de opkomende zon eens goed. De ingang ligt aan de zijkant van de grot. De vloer van de grot is bedekt met mos en de muren zijn licht. Alleen op het verste punt is de muur wat donkerder. Nieuwsgierig loopt hij richting de donkere muur. Tot zijn vreugde blijkt er achter de kleine ingang een iets diepere grot te liggen. Eentje waar wind en water geen vrij spel hebben. Verheugd loopt hij naar de bron, pakt een van de stukjes hout, vult dit met water en loopt naar het meisje in de andere grot.

Het meisje ligt nog daar waar zij haar behoefte heeft gedaan. Krkt helpt haar in een zittende positie en laat haar wat drinken. Hij kijkt de grot rond en neemt een beslissing. ‘Je weet van het bestaan van de grot met de bron’, vraagt hij het meisje. Zij knikt even. ‘Ik denk dat die beter geschikt is om te overwinteren’, zegt Krkt. ‘Ik ga jou en de voorraden daar naar toe brengen’. Weer knikt het meisje ten teken dat zij hem begrepen heeft. Zo voorzichtig mogelijk legt Krkt haar op een huid en trekt haar op die manier de grot uit, richting de iets hoger gelegen grot met de bron. Daarna zijn de voorraden en de huiden aan de beurt. Hij doet zijn best niet naar de lichamen voor de kleine grot te kijken.

Tegen de tijd dat de zon op haar hoogste punt staat is de verhuizing klaar. Krkt heeft net de moed bij elkaar geraapt om naar de lichamen te gaan kijken wanneer hij opgeschrikt wordt door het geluid van een tak die breekt. Hij duikt in de struiken en kijkt voorzichtig in de richtig waar het geluid vandaan komt. Tussen de bomen door ziet hij een gestalte aan komen lopen. Het blijkt de enorme man te zijn die de dag ervoor het lichaam van zijn tante aan het bestuderen was. De man is dit keer alleen. Zonder om zich heen te kijken loopt hij de heuvel af. Bij de verscheurde lichamen aangekomen stopt hij. De man kijkt om zich heen, steekt zijn neus in de lucht alsof hij iets ruikt. Weer blijft zijn blik lang op de ingang van de voorraadgrot rusten. Zich niet bewust van de ogen van Krkt die elke beweging nauwgezet in de gaten houdt legt de man de lichamen dichter bij elkaar. Zo af en toe pakt hij iets wat hij achter zich neer gooit. Vanuit zijn schuilplaats kan Krkt niet zien wat de man van de gestorven mensen afpakt. Als alle mensen op een hoop liggen loopt de man weg, de andere kant op, richting een aantal omgevallen bomen. Krkt overweegt de man met het grote mes van zijn vader aan te vallen maar schrikt wanneer de man schijnbaar zonder enige moeite een van de omgevallen bomen achter zich aan trekkend terug loopt naar de mensenhoop om even later de boom over de mensen heen te schuiven. De man verzameld wat takjes, een groot stuk schors en droge bladderen, pakt iets uit de hoop spullen die hij verzameld heeft en loopt iets bij de mensenhoop vandaan en laat alles vlak voor de ogen van Krkt tussen wat keien op de grond vallen. De man gaat op zijn knieën zitten. Goed zichtbaar voor Krkt maakt hij een kring van stenen, legt daar de droge schors tussen en daarop wat van de droge bladeren. Hij pakt een van de twee kleine stenen messen en begint vlak boven het schors een van de takjes af te schaven. Dan zet hij het kleine mes met de punt tussen het schaafsel en de droge bladderen in en tikt met het andere mes stevig tegen het eerste mes aan. Krkt ziet een klein lichtpuntje verschijnen. De man tikt weer, iets harder dit keer. Weer ziet Krkt het lichtpuntje. Iets groter en iets langer. De man laat de messen los, buigt zich voorover en blaast zachtjes tegen het lichtpuntje aan. Schuift wat schaafsel dichterbij. Blaas nogmaals en dan… Krkt’s ogen worden groter. De man heeft vuur gemaakt. Niemand in zijn familie heeft ooit zelf vuur gemaakt.  Vuur komt en gaat, net de zon, de maan, regen, sneeuw. Soms wist Oom of zijn vader wat vuur te bewaren maar nooit voor lang. Vol ongeloof kijkt hij naar het vuurtje wat tussen de keien brandt.

De man gooit er wat takjes op waardoor het vuur groter wordt. Hij pakt de grootste tak en houdt deze tegen de vlammetjes aan. De droge bladeren vatte vlam. De man wacht tot ook het hout van de tak brandt en dan staat hij op en met de brandende tak in zijn hand loopt hij terug naar de lichamen en duwt de brandende tak tegen de boomstam aan tot het schors vlam vat. Hij herhaalt zijn actie tot de boom aan alle kanten brandt en ook de eerste lichamen vlam vatten. Uit de buidel die aan een stuk leer wat om zijn middel is geknoopt pakt hij iets wat hij op de vlammen gooit. Het vuur wordt groter en groter.

Als de man tevreden is over het formaat van het vuur loopt hij terug naar het kleine vuurtje wat hij eerder heeft gemaakt. Weer haalt hij iets uit de buidel en legt dit naast het vuur op de stenen. Het is een gevilt konijn ziet Krekt. De man plukt wat lange grashalmen en begint deze in elkaar te vlechten. Hij blijft grashalmen toevoegen en voor de ogen van de verbaasde Krkt vlecht hij een lang koord waar hij een strik van maakt. De man legt de strik naast de stenen neer. Tot Krkt’s grote schrik kijkt de man hem ineens door de struiken heen recht aan. De man legt een vinger tegen zijn lippen, wijst naar de zon, houdt twee vingers in de lucht en maakt het gebaar voor ‘ver weg’.  Dan staat hij op, draait zich om en loopt zonder nog een keer om te kijken, langs de brandende lichamen heen, tussen de bomen door, over de heuvel heen.

Krkt staart hem de hele weg verbaasd en vol verwondering na. De jongen snapt er niets van. Een van de mannen die zijn familie en de familie van het onbekende meisje heeft uitgemoord heeft er voor gezorgd dat de dode lichamen geen wilde dieren meer aan kunnen trekken, hem geleerd hoe hij vuur en strikken moet maken en er voor gezorgd dat het meisje en hij vanavond voor het eerst in lange tijd weer iets warms in de buik hebben. En hij weet dat ze mannen over twee zonnen verder trekken. Zouden die andere mensen dan toch niet helemaal slecht zijn?’

Na deze gedachten van Krkt uitgesproken te hebben neemt Voorouder Eén met een zwaai afscheid van de dorpsbewoners. Die zijn zo mogelijk nog verbaasder dan de jongen Krkt over de wending die zijn avontuur heeft genomen.

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende pagina’s staan alle afeveringen chronologisch achter elkaar.

Toet Zwijmelen op Zaterdag


12 reacties

ZoZ: Vies

Hebben jullie dat ook wel eens? Van die dagen dat alles net niet gaat zoals je zou willen. Dat je pit uit de avocado wipt en dat-ie door de keuken rolt? Dat je tonijn op een cracker lepelt en dat je het blikje tonijn laat vallen zodat je vest naar tonijn ruikt? Dat je daarna tot overmaat van ramp je koffiekopje niet goed aan de lippen zet waardoor de koffie via je kin op je toch al niet meer schone vest druipt en in je decollewattus verdwijnt?

Zucht..

Ik heb dus zo’n dag! En dag die vraag om een vies liedje. Vieze Lieze  van Robert Long heb ik al ooit eens gedeeld, daarom vandaag gekozen voor Kooten en De Bie!

Fijn weekend allemaal.

Kooten en De Bie – De vieze man: Ballen in me buik!

Voor meer zwijmelen op zaterdag verwijs ik graag naar Marja, opperzwijmelaarster.

© Rianne

Zuster Toet


2 reacties

Ben jij gefascineerd?

‘Ben jij gefascineerd?’, vraagt Toet al lezen in mijn agenda. ‘Hum?’, vraag ik. ‘Ben jij gefascineerd?’, herhaalt hij geduldig zijn vraag. ‘Gefascineerd? Waardoor?’, beantwoord ik zijn vraag met een wedervraag. ‘Niet waar-dohoor maar waar vohoor’, verbetert de kleine muis mij. ‘Je bent niet gefascineerd voor iets, maar door iets’, brom ik terug. Mijn bovenarm, waar die middag een griepspuit in is gezet begint stijf en pijnlijk te worden en ik merk dat dat mijn humeur ietsjes beïnvloed. ‘Niettus’, zegt de onverbeterlijke muis. Je wordt vohoor of tegen iets gefascineerd’, niet door. De door is altijd iemand met een prik-diploma’.

‘Prikdiploma’, prevel ik voor mij uit. ‘Gefascineerd?’.Dan gaat er langzaam een spaarlampje branden. ‘Jij hebt het over vaccineren’, jubel ik. ‘Zeg ik toch’, jubelt Toet terug. ‘Nou? Ben jij gefascineerd?’. Ik knik van ja. ‘Waar voo-euh-tegen’, wil het Cliniclown muisje weten. ‘Griep’, antwoord ik. ‘Dus nu krijg jij geen griep meer?’, vraagt hij verder. Ik knik van ja. ‘Tenminste’, voeg ik er aan toe, ‘Wanneer de geleerde dames en heren een juiste inschatting hebben gemaakt en de juiste varianten van de griep in de spuit hebben verwerkt’. Zijn snuitje betrekt een beetje. ‘Niet bang zijn Toet’, zeg ik. ‘Meestal gokken die dames en heren goed’. Hij lacht al weer.

Dan verschijnt er een ondeugende blik in zijn ogen. ‘Waar hebben ze je geprikt?’, wil hij weten. ‘In mijn arm’, antwoord ik een beetje terughoudend. Zijn blik lijkt mij iets te veel op die van oud klasgenootjes die het leuk vonden om je een stevige tik tegen je pas gevaccineerde arm te geven. Daarom liet ik de pleister altijd op mijn andere arm plakken’. Ik besluit eerlijk te zijn. ‘In mijn linker bovenarm’. ‘Laat ‘us zien’. Braaf doe ik mijn vest uit, rol mijn mouw omhoog en kijk toe hoe Toet over de kussens naar de plek des onheils klimt’. Met een groots gebaar zwaait hij zijn armen in het rond. Maar ik heb voor niets gevreesd. Ondanks de grootte zwaai pakt hij mijn arm voorzichtig vast, en legt voorzichtig zijn neusje tegen het prikgaatje aan en geeft een vlinderlicht kusje op mijn bovenarm. ‘Zo, nu doet het zo geen pijn meer’, zegt hij tevreden.

Onbewust had ik mijn adem ingehouden. Langzaam laat ik de lucht uit mijn longen ontsnappen. ‘Je wast bang’, beschuldigt Toet mij. ‘Ja dachts dat ik je pijn zou doen. Maar ik ben een Cliniclown-muisje. Ik zou je nooit pijn doen’. Opgelucht haal ik adem. Dan valt zijn oog op mijn arm die langs mijn lijf ligt. ‘Glijbaan’, jubelt hij, klimt op mijn schouder, laat zich met zijn volle gewicht op mijn arm vallen en glijdt naar beneden.

Gelukkig wegen Cliniclown-muisjes helemaal niets. Want anders…

© Rianne

Boek van Urgh


1 reactie

Boek van Urgh 129: Mensen!

Ondanks het gruwelijke begin van het verhaal van Krkt is de sfeer in het dorp de volgende dag, dankzij het verdwijnen van Durk’s demonen en het heerlijke warme herfstweer, licht en luchtig. Pas tegen de avond verandert de stemming in het dorp. Een kleine jongen zoals Krkt, die in zijn eentje achter dit soort bloeddorstige mannen aangaat… Dat kan nooit goed aflopen.

Het is nog licht wanneer Ani aankondigt dat het eten klaar is. Vanwege het heerlijke weer wordt er buiten, naast de ingang van de grot, in de luwte van de heuvel en uit de wind, bij het licht en de warmte van een aantal kleine vuurtjes, gegeten. Zodra het begint te schemeren verschijnt de gestalte van Voorouder Eén in het vuur waaraan zowel Durk als T’raa zitten. Hij knikt beide mensen vriendelijk toe en verdwijnt dan weer om even later in het vuur waaraan K’wan, Elm en Urgh zitten opnieuw te verschijnen. ‘Ben je er klaar voor?’, vragen zijn handen aan Elm. Deze neemt nog snel een slok van zijn thee en antwoord dat hij er klaar voor is.

‘Halverwege de ochtend begint het weer zachtjes te regenen maar Krkt negeert het hemelwater en loopt zo snel zijn benen hem kunnen dragen verder. Hij mag dan een onervaren jager zijn maar hij weet dat regen sporen uit wist en zonder sporen wordt de kans dat hij zijn familieleden ooit nog terug ziet heel klein. Met zijn ogen strak op de grond gericht loopt hij stug door net zo lang tot het te donker is om nog iets te zien. De versleten huid die dienst doet als tuniek is kleddernat en hangt zwaar om zijn schouders. Zijn maag is leeg. Hij laat zich op de natte grond vallen en rolt onder een bramenstruik. Hij vult zijn maag met gras, bramenblad en modderig regenwater en valt, ondanks de pijn in zijn lijf, de kou en nattigheid, van vermoeidheid snel in slaap. Het grote mes van zijn vader ligt binnen handbereik.

Het is nog donker wanneer hij wakker wordt met het idee dat hij niet alleen onder die struik ligt. Voorzichtig, zonder geluid te maken, pakt hij het mes van zijn vader vast. Dan ploft er iets boven op hem en hoort hij het voor hyena’s zo karakteristieke geluid. Hij zwaait met zijn vader’s mes en voelt de scherpe steen door vlees heen gaan. Warm bloed vloeit over zijn handen en gezicht en jankend vlucht de hyena uit zijn buurt. Aaseters houden niet van prooien die nog bewegen. Het duurt even voordat zijn hart weer tot rust is gekomen. Dan likt hij het bloed van zijn handen, plukt nog wat gras en bladeren, staat op en begint weer te lopen. Van achtervolgen is geen sprake meer. De hele wereld is verandert in een modderpoel en alle sporen zijn uitgewist.

Dagen gaan over in nachten, nachten gaan over in dagen. Elke dag loopt Krkt zo ver zijn benen hem dragen kunnen. Zijn maag vult hij met gras, bladeren, noten en bessen. Soms vindt hij een dierenkarkas wat nog niet helemaal schoon is gevreten en doet zich tegoed aan de laatste restjes vlees. Hij komt er achter dat konijnen bij het wisselen van dag naar nacht en andersom kwetsbaar zijn, makkelijk met een goed geworpen mes te vangen. Hij lijdt geen honger meer maar van binnen voelt hij leeg. De slecht schoongemaakte huiden bindt hij voor warmte om armen, benen en voeten. Sporen van mensen heeft hij sinds die eerste nacht niet meer gezien.

Het seizoen wisselt. De regen gaat over in natte sneeuw. Dan, op een ochtend na een extreem koude nacht weet Krkt dat hij op zoek moet gaan naar een plek om te overwinteren. Moet zorgen voor voldoende grassen en bladeren. Om zich heen kijkend vervolgt hij zijn tocht. En dan… Dan ziet hij van achter een heuvel rook omhoog kringelen. ‘Mensen’, jubelt zijn hart. ‘Misschien wel de mannen’, tempert zijn verstand hem. Uiterst voorzichtig, zonder een geluid te maken, kruipt Krkt tegen de heuvel omhoog.  Hij kijkt naar het dal onder hem. Hij ziet een klein vuur branden. Naast het vuur liggen lichamen. Niemand beweegt. De zon bereikt haat hoogtepunt, daalt weer, verliest in kracht. Het vuur gaat uit, smeult nog wat na. Nog steeds neemt hij beneden in het dal geen beweging waar. Met een zwaar gemoed en bevreesd wat hij in het dal zal aantreffen begint hij aan de tocht naar beneden. In het dal aangekomen vertellen zijn ogen hem dat hij het spoor van de mannen die zijn familie geroofd hebben weer heeft gevonden. Dan ziet hij tussen de dode lichamen van de vreemde familie het bekende maar uitgemergelde en blauw geslagen gezicht van zijn tante. Met dode ogen staart zij hem aan. Hij buigt zich voorover om haar ogen te sluiten en ziet dan vanuit zijn ooghoek iets bewegen. ‘De mannen’, denkt hij, gevolgd door ‘Hyena’s’. Zijn hand grijpt zijn vader’s mes nog steviger vast. Dan ziet hij vanuit de struiken hoe twee angstige ogen hem aankijken. Voorzichtig loopt hij dichterbij. Met zijn rechterhand houdt hij het mes stevig vast. Met zijn linkerhand zegt hij, ‘Niet bang zijn’. Hij duikt onder de takken door het struikgewas in. Het meisje deinst moeizaam achteruit. Haar been ligt in een vreemde hoek. Achter haar ziet hij de ingang van een kleine grot. Nu zegt hij met beide handen, ‘Niet bang zijn’. Voorzichtig pakt hij haar vast en sleept haar al kruipend richting de grot. Haar huid voelt ijskoud onder zijn eigen niet al te warme handen. Tot zijn verbazing liggen daar een paar huiden, grassen, bladeren en noten. De familie van het meisje was al bezig met zich voorbereiden om te overwinteren.

Hij legt het meisje op een huid en dekt haar met een andere huid toe om de ergste koude te verdrijven. Dan hoort hij iets. Voorzichtig kijkt hij om het hoekje van de ingang van de grot via het struikgewas naar buiten. Een enorme man staat over het lichaam van zijn tante gebogen. Wanneer de man zich opricht staat zijn gezicht bedenkelijk en zijn ogen schieten in het rond. Zijn blik blijft op de struiken voor de ingang van de grot rusten. Krkt durft zich niet te bewegen en houdt zijn adem in uit angst ontdekt te zijn. Achter de enorme man verschijnt nog een man die een grommend geluid maakt. De man rukt zijn blik los van de ingang van de grot en gromt iets terug. Krkt haalt opgelucht adem wanneer beide mannen samen weg lopen. Vanuit zijn schuilplek ziet hij hen even later tussen de bomen door tegen de heuvel aan de andere kant van het dal oplopen. Pas wanneer de mannen over de heuveltop zijn verdwenen richt hij zijn aandacht weer op het meisje in de grot. Voorzichtig tilt hij de huid op die hij over haar heen heeft gelegd om naar haar been te kijken. Het ligt weer in een enigszins normale positie maar hij weet dat het gebroken is en tijd nodig heeft om te genezen. Hij legt de huid weer over het meisje heen en gaat naast haar zitten. ‘Mijn naam is Krkt’, zeggen zijn handen en maakt de bijbehorende keelklank. Het meisje reageert niet, kijkt hem slechts aan. Zijn handen praten verder. ‘We zijn hier niet veilig zo dicht bij al die lichamen, maar jij kunt met dat been niet lopen en wanneer ik de lichamen naar een ander punt versleep en de mannen komen terug weten ze dat hier nog iemand in leven is. Dus dat kan ook niet. We moeten er maar op hopen dat de dieren voldoende aan je familieleden hebben en niet verder gaan zoeken’. Het meisje knikt eventjes ten teken dat zij hem begrepen heeft. Dan begint zij weer te trillen van de kou. Krkt pakt de andere huiden die er liggen. Hij kruipt tegen het meisje aan en trekt de huiden zoveel mogelijk over hen heen. Langzaam wordt het trillen minder en valt het meisje in slaap. Met het mes stevig in zijn handen geklemd luistert Krkt naar de geluiden van buiten. Hoort hoe de lichamen van de mensen door dieren verscheurd worden. Tegen de ochtend wordt het buiten stil en vallen ook zijn ogen van vermoeidheid dicht’.

De handen van Voorouder Eén vallen stil. Elm neemt een slok thee. ‘Morgen vertel ik verder’, zegt de kleine gestalte in het vuur. ‘Tot dan’. De mensen rond het vuur zien hem verdwijnen.  In de wetenschap dat het verhaal de volgende dag verder gaat de een na de ander de grot in om te gaan slapen. Alleen Tork, de aangewezen eerste wacht, blijft buiten bij het vuur zitten.

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende pagina’s staan alle afeveringen chronologisch achter elkaar.