Lamme Urgh

Boek van Urgh_011_020

cropped-urgh211_Zijn eerste passen

Het is nog vroeg wanneer Urgh zijn ogen opent. Hij staart naar de lucht, de vreemde droom herbelevend. De droom waarin hij heeft gelopen. Een halve pas slechts, en geholpen door twee meisjes, maar toch was het lopen. Urgh gaat zitten en strekt zijn arm naar achteren om zijn slee bij te trekken. De slee is er niet. In plaats daarvan tikt hij Tas aan. Zich omdraiaend dringt tot Urgh door zijn droom geen droom was, maar werkelijkheid. Voorzichtig om niemand wakker te maken schuifelt hij bij het vuur vandaan op zoek naar een plekje voor zijn ochtendritueel. Wanneer hij een minuut of tien later terug het kamp in schuifelt zijn de drie vrouwen ook opgestaan. Gaya geeft Urgh en de meisjes wat te eten en zegt: ‘Dit zijn de plannen voor vandaag’. De jager en de meisjes kijken haar aan.

‘Pew gaat terug naar het dorp om Elm te vertellen wat er gisteren is gebeurt en om te vragen of hij samen met Azel hier naar toe kan komen. Ze moeten hun wapens, gereedschap, tenten en voedsel voor een paar dagen meenemen. Tas gaat jagen en eten verzamelen en Urgh en Kleintje gaan zwemmen.’ De meisjes knikken dat ze hun opdracht hebben begrepen. Urgh begint te pruttelen. ‘Zwemmen? Ik wil niet zwemmen, ik wil lopen. Bomen uitzoeken, kappen, krukken maken. En waarom moeten Elm en Azel hier naar toe komen? Ik kan het zelf wel.’ Medicijnvrouw kijkt hem lachend aan. ‘Gewone krukken kan jij wel maken, maar jij hebt niets aan standaard krukken. Die zijn goed voor mensen die een goed en een slecht been hebben. Jij hebt een slecht been en geen been. Elm en Azel gaan met ons meedenken over hoe we dit gaan oplossen. Verder moet jij dat linkerbeen van je sterker maken. En zwemmen is daarbij een perfect hulpmiddel’. Urgh kijkt bedenkelijk maar hij doet er het zwijgen toe.

De meisjes gaan zich voorbereiden op hun dagtaak. Pew haalt water voor hen beide en zit in het gras een eindje verderop iets bekends liggen. De prikstokken annex werpspiesen van Urgh. Snel gaat zij ze halen en neemt  ze mee naar het kamp. Urgh is blij om zijn stokken terug te hebben, zijn laatste aandenken aan de tijd dat hij een groot jager was. Ook Gaya is verheugd. ‘Nu kun je in het water lopen’, zegt zij, ‘Dan zijn dit voor nu even je krukken’.

Urgh en Gaya zwaaien de beide meisjes uit en gaan dan richting het water. Niet naar het punt waar Kleintje en Urgh in het water gevallen zijn, maar naar de plek waar Pew net water heeft gehaald. Een kleine baai met een zandstrand, net buiten het bereik van de sterke stroming. Langzaam kleedt Urgh zich uit en schuifelt het water in. Gisterenmiddag was hij te druk bezig met overleven, maar nu voelt hij pas goed hoe koud het water is. ‘K-k-k-k-koud’, zegt hij met klapperende tanden. ‘Je krijgt het vanzelf warm’, zegt Medicijnvrouw die haar tuniek omhoog gebonden heeft en een stukje mee het water in is gelopen, een stok in haar hand. Kleintje spettert vrolijk achter de twee mensen aan. ‘Gisteren zwom je vooral met je armen’, zegt Gaya.’Vandaag moet je vooral je benen gebruiken. Net zoals Kleintje zijn achterpoten gebruikt.’ Ze gooit de stok naar een dieper gedeelte en Kleintje zwemt er achteraan, waarbij hij zijn voor- en achterpoten evenredig veel gebruikt. ‘Zie je wat ik bedoel?’ Urgh knikt, draait zich op zijn buik en probeert de slag van Kleintje te imiteren. En dan begint zijn training.

Na een uur zwemmen in het koude water ziet de grote Mammoetjager blauw van de kou en laat Gaya hem uit het water komen. ‘Ga maar op mijn slaaprol in de zon rusten en opwarmen’, zegt zij. Dankbaar gaat Urgh liggen. Gaya loopt het kamp uit om noten te verzamelen. Urgh is zo moe dat hij bijna meteen in slaap valt. Een hele tijd later komt Gaya hem wakker maken. ‘Ben je er klaar voor?’, vraagt ze. ‘Dan gaan we weer verder’. Dit keer heeft Gaya geen stok voor Kleintje in haar hand, maar de werpspiesen van Urgh. ‘Zwem met de spiesen in je hand net zo ver de rivier in tot je op een punt komt waarbij je hoofd boven water komt en je voeten de grond raken’, zegt ze tegen Urgh, ‘Draai je dan mijn kant op.’ Gedwee doet Urgh wat er van hem gevraagd wordt. ‘Gebruik nu de spiesen als kruk, laat je rechterteen en de spiesen op de grond staan en verzet je linkerbeen.’ Weer doet Urgh wat er van hem gevraagd wordt. ‘Zet nu de krukken naar voren, naast je linkerbeen en trek je rechterbeen bij’.

Vier passen later voelt Urgh de kou van het water niet meer. Hij heeft het warm van inspanning en blijdschap. Hij loopt! Zonder de hulp van de meisjes. Met elke stap komt hij dichter bij het strand en verder uit het water waardoor elke stap zwaarder wordt. ‘Omdraaien’, roept Gaya wanneer het water tot halverwege zijn borst komt. Na tien keer draaien vindt Gaya  het genoeg geweest voor die dag. ‘Kom het water maar uit’, roept ze maar Urgh loopt nog een baantje extra. Wanneer hij weer op de slaaprol ligt voelt hij pas hoe moe hij is, maar dat deert hem niet. Hij heeft gelopen!

Urgh kan zijn geluk niet op. Natuurlijk zal hij nooit meer een groot jager worden altijd krukken nodig hebben maar alles is beter dan afhankelijk te zijn van het weer en anderen. Ondanks zijn vreugde en zijn over elkaar  tuimelende gedachten valt Urgh van vermoeidheid in slaap, zijn werpspiesen annex krukken dicht in de buurt. Wanneer Urgh wakker wordt hoort hij in de verte geluiden. Een mensenstem, dierengebrul, gegrom van Kleintje. Zonder na te denken pakt hij zijn spiesen en schuifelt naar het water. Hij heeft net de waterrand bereikt wanneer rechts van hem Medicijnvrouw zich losmaakt van het struikgewas en van een overhangende rots af in het water springt op de voet gevolgd door Kleintje. Terwijl Urgh achteruit het water in zwemt ziet hij het struikgewas weer wijken en er verschijnt een enorme holenleeuw die aan de rand van het water stil blijft staan, kijkend naar haar buit die net aan haar ontsnapt is.

12_Een koude nacht

IJsberend over de oever ziet de holenleeuw hoe de wolf, die een betere zwemmer is dan zij ooit zal worden, haar prooi inhaalt. ‘Misschien sleept de wolf de prooi wel mee naar de oever’, denkt zij, ‘Eens zien wie dan het grootste stuk te eten krijgt’. De wolf is ondertussen bij Gaya aangekomen die niet goed kan zwemmen en door de stroom meegetrokken wordt weg bij het kamp vandaan. Hij grijpt haar kleding vast om er voor te zorgen dat ze niet onder wordt getrokken. Urgh maakt gebruik van dezelfde stroming om hen beide snel in te halen. Eenmaal herenigd helpt hij de wolf de vrouw boven water te houden. Van zijn eigen rivier-avontuur weet hij nog dat er een klein stukje verder stroomafwaarts een zandbank in de rivier ligt, die moeten ze zien te bereiken. Aan wal gaan is geen optie. De holenleeuw volgt hen op de voet.

Eindelijk komt de zandbank in zicht en wolf en man duwen samen de vrouw die kant op. Met veel moeite krijgen ze eerst Gaya op de zandbank en daarna zijn zijzelf aan de beurt. Gaya ligt op haar rug maar haalt geen adem. Urgh weet even niet wat hij moet doen. Kleintje wel. Plomp springt hij bovenop de vrouw die een straaltje water uitspuugt. Hij springt nogmaals en weer spuugt zij water uit. Zo snel hij kan draait Urgh haar op haar zij en er volgt meer water, gevolgd door een hoestbui. Langzaam richt Gaya zich op en kijkt om zich heen. Zij wordt niet vrolijk van wat zij ziet. De zandbank is niet erg groot, er is nergens beschutting te vinden en zowel de jager als zij zijn kletsnat, het duurt nog zeker een nacht en een dag voor er hulp in de buurt is en de holenleeuw staat hen op te wachten. Bedrukt laat zij zich terug op de grond zakken en maakt de jager deelgenoot van haar gedachten.

Urgh is minder pessimistisch, heeft in zijn jagerstijd wel voor ‘hetere’ vuren gestaan. Hij trekt zijn bovenkleding uit en legt ze in de zon te drogen. Hij zegt Gayadit ook te doen, warm worden is nu belangrijk, zeker zonder vuur. Dan valt zijn oog op een stuk hout wat de zandbank voorbij drijft. Even later komt er weer een stuk hout aan. Hij schuifelt naar de rand van de zandbank en steekt zijn werpspies uit in de hoop het hout naar zich toe te kunnen trekken. Het lukt niet. Dan springt Kleintje in het water en gaat achter het hout aan. Terwijl de zon haar best doet de beide mensen te verwarmen wordt de stapel nat hout steeds groter. Maar ook nat hout kan je drogen weet Urgh die naar het stroomafwaartse deel van de zandbank schuifelt om te kijken of hij daar wellicht een vis kan vangen.

Wanneer de zon langzaam achter de bomen verdwijnt liggen er twee kleine vissen naast Urgh en is er voldoende hout opgevist voor een klein vuur wat de hele nacht kan branden om zo de ergste lente-kou te weren. Nu alleen nog vuur maken. Maar met de vuurstenen uit de buidel van Gaya moet dat geen probleem zijn.

13_Hereniging

Urgh heeft gelijk. Al snel brand er een klein, rokerig vuur. Urgh legt de twee kleine vissen naast het vuur om ze een beetje te garen. De geur van de vis en de rook waaien richting de holenleeuw die nog altijd aan de waterkant staat. Gayavolgt zijn blik. ‘Wat is beter’, vraagt zij de jager. ‘Dat dat beest daar nog staat wanneer Pew, Elm en Azel in het kamp arriveren, of dat hij door de bossen ronddwaalt?’. Urgh haalt zijn schouders op. ‘Beide is een ramp’, zegt hij. ‘Pew, Elm en Azel zijn geen partij voor een holenleeuw’. De jager valt even stil en zegt dan, ‘Misschien heeft de holenleeuw haar  wel gedood, en komt er nooit hulp. En waar zou onze kleine jaagster Tas zijn?’ Beide mensen doen er verder somber het zwijgen toe.

Een half uur later is het donker, zijn hun kleren droog genoeg om weer aan te trekken en zijn de vissen klaar om gegeten te worden. Na het eten valt Gaya in slaap. Aan de ene kant wordt zij verwarmd door het vuur, aan de andere kant door de wolf die dicht tegen haar aangekropen is. Urgh zit met zijn rug naar het vuur, zijn gezicht naar de rivierkant en doet zijn best om de holenleeuw te onderscheiden. Maar het is te donker. Na een paar uur peinzen en piekeren en in het donker staren valt ook de vermoeide jager in een onrustige slaap.

Bij het eerste ochtendgloren wordt Urgh wakker van een zacht gegrom van Kleintje. Urgh doet zijn ogen open en voelt de ochtendkou. Het vuur is bijna gedoofd. Dan hoort hij een geluid in het water. Kleintje gromt harder. Stram en stijf richt Urgh zich op en ziet de holenleeuw geholpen door de stroming hun kant op zwemmen. De schrik slaat hem om het hart. Gaya is ook wakker geworden van het geluid van Kleintje. ‘Wat nu?’, fluistert zij zachtjes. ‘Hier zijn wij niet tegen bestand’.

‘Rakel het vuur op’, zegt Urgh, terwijl hij zijn werpspiesen pakt. ‘Gooi er kleine stokjes op om het fel te laten branden en zorg dan dat die ene grote tak aan een kant gaat branden. Als de holenleeuw op de zandbank probeert te klimmen hinder ik haar met mijn spiesen, en jij met de brandende stok. Met een beetje geluk kunnen we haar zo verwonden dat zij ergens anders haar wonden gaat likken’. Kleintje ontbloot zijn tanden, alsof hij wil zeggen ‘En wat dacht je van deze jongens?’. Gespannen wachten de twee mensen en de wolf af. Het enorme dier komt gestaag dichterbij. Dan zegt Urgh ‘Tas en Pew zijn in ieder geval niet aan haar ten prooi gevallen. Dat een holenleeuw het water in gaat betekend dat zij honger heeft, al lange tijd niets meer gegeten heeft’. Deze troostrijke gedachten geeft Urgh en Gaya extra moed om te pogen de holenleeuw te verjagen.

De holenleeuw bereikt bij de zandbank en zoekt een plekje om er op te klimmen. Instinctief weet zij dat de jager de minst bewegelijke van de drie prooien is en zij probeer aan zijn kant uit het water te klimmen. Terwijl zij de eerste spies van de jager ontwijkt schampt de tweede spies haar rechtervoorpoot. Het deert haar niet. Gedreven door de honger en overtuigd van haar kracht haalt zij met haar voorklauw uit richting de jager die gesteund door een spies op een knie zit. Weer komt er een spies op haar af, ditmaal gericht op haar rechteroog. Terwijl zij de spies ontwijkt voelt zij ineens hoe de wolf op haar rug springt en met zijn scherpe tanden in haar nek begint te bijten. In een poging de wolf van zich af te schudden ziet zij de spies niet dit haar dit maal wel in haar oog treft. Zij brult het uit van de pijn en richt zich op daarmee het kleine beetje houvast wat zij op de zandbank had verliezend.. De wolf valt van haar rug en zwemt weg. Woest om zich heen slaand met haar klauwen probeert zij weer houvast te krijgen. Net wanneer het er op lijkt dat zij weer grip heeft landt er met onmenselijke kracht een branden de tak op haar kop. Even verdwijnt ze onder water. Wanneer ze bovenkomt landt de brandende tak nogmaals op haar kop. Even is zij versuft en dan wordt zij gegrepen door de snelle stroming die haar al klauwend om grommend meesleurt, weg bij haar prooi, haar aanvallers vandaan.

Terwijl de twee mensen op de zandbank nog maar nauwelijks kunnen geloven dat zij de holenleeuw verslagen hebben klimt Kleintje terug de zandbank op. Ineens horen de beide mensen een meisjesstem die hen vanaf de kant roept.  Wanneer ze de kant van de schreeuw uitkijken zien ze Tas staan, die vanaf de kant het gevecht met de holenleeuw heeft gade geslagen en nu uitbundig staat te zwaaien. Urgh en Gaya zwaaien beide enthousiast terug. ‘Kom terug naar de kant’, roept Tas. Urgh ligt al bijna in het water wanneer hij bedenkt dat Gaya geen sterke zwemster is. Zou zij het aandurven. Een blik op de angstige vrouw zegt hem voldoende. Zonder hulp krijgt hij Gaya niet aan de kant. Ineens krijgt hij een ingeving. ‘Tas’, roept hij naar de jaagster aan de waterkant, ‘Maak van gras een dik lang touw. Kleintje kan al zwemmend een kant van het touw hier naartoe brengen, de andere kant houdt jij vast. Op die manier kunnen we Gaya veilig aan de kant krijgen’.

Tas gaat meteen aan de slag om gras te plukken en te vlechten. Urgh roept Kleintje en verteld hem naar de jaagster te gaan. Om haar te beschermen en om het touw te halen. Het is al halverwege de middag wanneer Tas klaar is met het maken van een touw wat lang genoeg is om de afstand naar de zandbank te overbruggen. Met het touw stevig om haar middel gebonden en aan beide kanten ondersteund door een ervaren en sterke zwemmer begint Gaya aan de hachelijke tocht terug naar het land. Sneller dan verwacht bereiken ze rustiger water. Op aanwijzingen van Urgh loopt Tas rustig stroomopwaarts richting het kamp, net zoals Gaya hem slechts twee dagen eerder naar het kamp geleidt heeft. In de kleine baai aangekomen laten beide mensen zich door Tas uit het water helpen en vallen vermoeid op het strand neer al weet Urgh dat ze niet te lang kunnen en mogen rusten. Er moeten meer vuurplaatsen worden gemaakt zodat de drie mensen zich makkelijker kunnen verdedigen mochten er meer holenleeuwen of ander groot wild in de buurt zijn.

De zon gaat al weer onder wanneer de drie mensen en de wolf in een ring van vuur klaar zijn om te gaan eten. ‘En nu’, zegt Urgh, ‘Wil ik jouw verhaal graag horen Tas. Hoe ben jij de afgelopen dag en nacht doorgekomen?’. ‘Nouhou’, zegt Tas, en gaat er eens goed voor zitten. ‘Nadat ik afscheid van Pew en jullie had genomen ben ik gaan lopen, met de rivier aan mijn rechterkant…’.

14_Het verhaal van Tas

‘Ik moest een beetje tussen de brandnetels en de bramenstruiken door manoeuvreren maar met de rivier aan mijn rechterhand kon ik niet verdwalen. Ik zag diverse veldjes met groentes zoals wilde asparagus, wortelen en wat koolachtige dingen. Ik liep het allemaal voorbij met het idee op de terugweg van alles te plukken. Toen de zon op haar hoogtepunt was kwam ik bij een open plek vlak bij een grot aan. Ik zag allerlei keutels van dieren liggen, waaronder die van een beer. Hoewel het hele oude keutels waren, zeker van voor de vorige winter, dacht ik dat het toch beter was terug naar het kamp te gaan. Op de terugweg haalde ik met mijn slinger een eend  neer en op het veld hier het verst vandaan sneed ik wat kool af.

Het schemerde al toen ik bij het kamp kwam. Omdat ik jullie niet zag of hoorde en er ook nog geen vuur branden probeerde ik zo min mogelijk geluid te maken en bleef ik goed verscholen in de struiken. Toen zag ik die holenleeuw. Ik zette het bijna op een gillen en wilde wegrennen maar mijn benen wilde mij niet dragen. Dat is denk ik maar goed ook want anders had de holenleeuw mij opgemerkt. Nu gelukkig niet. Ik dacht aan wat Urgh ons geleerd heeft wat we moeten doen bij dieren-gevaar: In een hoge boom klimmen, en je daar stevig vastmaken zodat je er niet uit valt wanneer je er lang in moet blijven zitten. Ik liep een stukje van de open plek vandaan op zoek naar een hoge boom waar ik in zou kunnen schuilen. Gelukkig was de holenleeuw zo op jullie gespitst dat zij mij niet hoorde maar dat wist ik toen nog niet. Dat zag ik pas toen ik helemaal in de top van de boom aanbeland was. Ik was zo blij dat jullie nog leefde. Ik maakte mij stevig aan de boom vast en hoewel het koud was daar boven en die boom ben ik toch in slaap gevallen. Toen ik wakker werd zwom die holenleeuw jullie kant op. Ik heb nog geprobeerd wat stenen naar haar toe te slingeren maar zo vastgebonden in een boom slingeren valt niet mee. Ik maakte mij los en rende naar de waterkant en zo zag ik hoe jullie heel snel korte metten met haar maakte’.

Tas is even stil en zegt dan ‘Het leek mij trouwens wel een oud beestje voor zo ver ik dat kon zien in het schemerlicht. En ze leek mij gewond, ze mankte een beetje.’ Urgh knikt naar Tas en zegt dat zij dat goed gezien had. ‘Toen ze aan wal probeerde te klimmen zag ik dat zij nauwelijks tanden in haar bek had en ze was gewond aan een van haar voorpoten. Dat heeft Kleintje gedaan voordat hij samen met Gaya er als een speer vandoor ging. Een volwassen en gezonde holenleeuw hadden wij zonder goede wapens  niet zo gemakkelijk kunnen verslaan.’ Ook Urgh doet er even het zwijgen toe en zegt dan ‘Tas je hebt je kranig gehouden. Menig jonge jager had niet zo kalm en beheerst gehandeld.’ Tas glimt door de lovende woorden van de jager. Urgh aarzelt even en zegt dan ‘Ik ben trots op je’. Even lijkt het of hij meer wil zeggen, maar hij doet er verder het zwijgen toe.

Tijdens het verhaal van Tas hebben zij zich te goed gedaan aan de eend met wat kool uit de mand van Tas. Na het eten is het pikdonker en tijd om te gaan slapen. De vorige nacht heeft geen van de drie mensen echt goed geslapen. ‘Ik zal de eerste wacht nemen’, zegt Gaya ‘Ik heb vannacht nog het meeste geslapen en bovendien vermoed ik dat wanneer er gevaar dreigt, dat dat later op de nacht of zelfs aan het begin van de ochtend zal zijn’. Urgh en Tas zoeken beide een plekje aan de strandkant van het kamp., dicht bij het grote vuur. Urgh ligt aan de buitenkant, spiesen onder handbereik, rug naar het water. Kleintje kruipt tegen Urgh aan die dat wel lekker vindt aangezien Tas tussen hem en het vuur ligt. De jager en het meisje vallen beide al snel in een diepe slaap.

Er staan nauwelijks sterren aan de hemel en buiten de ring van vuur is het stikdonker. Gaya staart wat voor zich uit, gooit zo af en toe wat hout op een van de vuurtjes om ze gaande te houden. Wanneer zij het grote vuur wat oprakelt ziet zij de jager en het meisje even net als bij daglicht. Ze moet glimlachen, zoveel lijken die twee in hun slaap op elkaar. Zelfde houding, zelfde silhouet. Ze probeert de man van voor het ongeluk voor de geest te halen. Ze moet hem met de overige jagers hebben zien vertrekken, die keer dat zij op de voor hem zo fataal geworden jacht vertrokken. Zij was toen net in het dorp aangekomen, om door de oude Medicijnvrouw verder opgeleid te worden. Hoe ze haar herinneringen ook naspeurt, het lukt haar niet. Haar eerste ontmoeting met de nu lamme jager was een paar manen na zijn ongeluk, vlak nadat de oude medicijnvrouw ineens gestorven was. Als zij toen geweten had dat de Oude de benen van de jager niet gezet had, had zij misschien meer voor de jager kunnen doen, was de schade wellicht wat meer beperkt gebleven. Maar de Oude hield haar angstvallig bij de gewonde jager vandaan. Waarom eigenlijk?

Ineens realiseert zij zich dat tijdens haar korte studie bij de Oude de bloedlijn van de jager niet voorbij is gekomen. Zij weet dat Tas de dochter van de Oude en Tork, een van de jagers, is. Dat de Oude en Tork slechts een nog levend kind hebben, omdat de voorouders alle eerdere kinderen nog voor hun geboorte tot zich geroepen hebben. Zij kent de bloedlijn van Elm, de dorpswijze, van Azel de vakman, van iedereen in het dorp, behalve die van Urgh. Misschien is Urgh net als zij pas op latere leeftijd in het dorp gekomen bedenkt zij zich. Dat Urgh geen kind van  het dorp is, is duidelijk. Met zijn lange lichtbruine haren, lange ledematen, lichte ronde ogen, zijn rechte neus en de gewoonte om zijn gezichtsbeharing te verwijderen lijkt hij in niets op de gedrongen, donkerharige dorpelingen met een kromme neus en donkere amandelvormige ogen.

Rechte neus? Ronde ogen? Ineens weet zij wat zo vreemd is aan de twee gelijkende silhouetten. Tas heeft  niet alleen dezelfde rechte neus als Urgh, maar zij heeft ook ronde ogen, al zijn ze donker. Maar hoe kan dat? Medicijnvrouw piekert nog steeds over de treffende gelijkenis tussen jager en meisje wanneer zij, ver na middernacht, het meisje wakker maakt om haar deel van het waken op zich te nemen. Het duurt nog een hele tijd voordat zij in slaap valt.

15_Verhuizen

Wanneer Gaya wakker wordt is het al licht. En koud. De meeste vuren zijn uit. Alleen het grote vuur geeft nog wat warmte af. Wanneer zij zich opricht ziet zij dat bijna alle stenen die rond het vuur lagen daar weg zijn en nu aan de rand van de open plek liggen, aan de kant van de boom waar Tas zich de nacht ervoor verscholen heeft. Dan valt haar oog op de jager, die in de buurt van de plek waar hij vier dagen eerder in het water is gevallen, op zijn buik op de grond ligt. Wanneer ze zijn kant oploopt ziet ze dat hij met de vislijnen bezig is die hij daar toen uitgezet heeft. Naast hem liggen een paar dikke vissen.

‘Ah, je bent wakker’, begroet de jager haar zonder zijn ogen van de vislijn af te halen. Wanneer de lijn naar tevredenheid ligt draait hij zich op zijn zij en gaat zitten. Met een handgebaar richting een platte steen die vlak bij hem in het gras ligt nodigt hij haar uit hetzelfde te doen.  Terwijl zij aan zijn verzoek gehoor geeft vraagt zij of hij weet waar Tas is. ‘Op zoek naar grote den hier in de buurt’, is het antwoord. ‘Een den?” vraagt Medicijnvrouw verwondert. Urgh glimlacht en zegt dan ‘Ja, een den. Tas bracht mij gisterenavond met haar verhaal op het idee om te gaan schuilen onder een grote den’. Wanneer Medicijnvrouw hem niet begrijpend aankijkt zegt Urgh, ‘Ik denk niet dat Pew vandaag met hulp uit het dorp komt. Het is maar de vraag of zij nog leeft, of zij weer in het dorp is, of er mannen zijn die met Elm en Azel mee deze kant op kunnen komen. Ze kunnen vandaag komen, morgen, of misschien pas over een maan. Tot die tijd moeten we beschutting hebben. De tent zat aan mijn slee vast, de nachten bij het vuur op de open plek zijn koud. Elke nacht zo veel vuren aanhouden kunnen we niet. En er komt sneeuw aan, of regen. Ik voel het water al in de wind en in mijn botten. We moeten schuilen en dan is een hooggelegen den, met lange, lage takken die tot op de grond komen perfect’.

De water in de wind had de Medicijnvrouw ook al gevoeld en diep in haar hart had zij zelf ook al bedacht dat het niet zeker was dat Pew nog in leven is. Ze zucht eens diep en vraagt de jager dan wat zij kan doen. ‘Hout sprokkelen en stenen verzamelen’, krijgt zij prompt als antwoord. We hebben vooral veel hout nodig want als het gaat sneeuwen of regenen moeten we dag en nacht een vuur hebben’. Voordat Medicijnvrouw kan vragen hoe hij dat gedacht had, een vuurtje onder een boom lopen Tas en Kleintje op hen af. Tas heeft een slinger met een steen er in in de aanslag. Wanneer Tas de vragende blik van Medicijnvrouw ziet zegt zij ‘Opdracht van Urgh. Dan ben ik geen makkelijke prooi’.

Dan wendt het meisje zich tot de jager en zegt: ‘Ik heb denk ik de perfecte boom gevonden. De stam is bijna net zo dik als mijn lijf, hij staat op een kleine verhoging, de grond onder de takken was droog en er groeit geen mos. Vlak bij de stam kan ik gewoon staan en als ik lig, met mijn voeten tegen de stam komt mijn hoofd nog niet bij de takken die op de grond hangen. Aan een kant zijn de takken wat dunner waardoor je makkelijk naar de schuilplek kunt. Gezien de hoeveelheid keutels barst het er van de konijnen en iets wat ook alleen maar gras eet maar grotere keutels maakt dan konijnen. En, ook belangrijk, wanneer je voor de boom staat kan je deze plek zien. Da’s handig voor wanneer onze dorpsgenoten hier naartoe komen’. Het meisje is even stil en zegt dan ‘Ik denk alleen niet dat jij je daar makkelijk kunt bewegen want de grond is heel oneffen en er staan veel lage struiken en helmgras.

Even trekt er een schaduw over het gezicht van de jager en dan zegt hij ‘Blijven leven is nu belangrijker dan bewegen en ik durf er niet van uit te gaan dat de Voorouders mij nog steeds niet willen ontvangen’. Hij schud zijn hoofd, om de gedachten aan de Voorouders van zich af te schudden en gaat weer over tot de orde van de dag. Hij legt Tas en Gaya uit hoe ze de vislijnen weer uit kunnen zetten nadat de vis er vanaf is gehaald.

De rest van de dag zijn de drie mensen druk bezig met het sprokkelen van hout, het verslepen van stenen en het inrichten van de hut. Dit laatste komt vooral op Urgh neer. Hij weet vanuit zijn jagerstijd het beste wat er moet gebeuren. Van de stenen bouwt hij een waterkering net tegen de onderste takken aan. Bij de plek waar de ingang moet komen maakt hij een gang van stenen waardoor de takken daar iets van de grond komen. Hij legt Tas uit hoe zij een van die takken nog verder op kan binden zodat de doorgang makkelijker begaanbaar wordt.

Dan gaat hij met de vuurplaats aan de slag. Die komt dicht bij de stam. Op een wortelvrij punt graaft hij met de bijl van Tas een arms-diepe en arm -brede kuil. De bodem van de kuil bedekt hij met stenen en hij zet ook wat grote stenen tegen de rand van de kuil. Op de grond wordt de hele kuil omringd door stenen, twee rijen hoog. Met een grote, platte steen dekt hij een deel, het dichtst bij de stam, van de kuil af. Dan is het tijd om het hout klein te gaan maken zodat het in de kuil past. Al snel brandt er een klein maar warm vuur wat weinig rook geeft in de kuil.

Wanneer het begint te schemeren hangen de voorraden in de mand van Tas aan een hoge tak, staat de mand van Gaya gevuld met water bij de ingang, liggen de slaaprollen van beide vrouwen over de grond uitgespreid, ligt er een vis te garen op de rand van de vuurkuil en staat er een bak soep op de steen te garen. Op de plek aan het water verraden alleen de resten van het vuur dat er  daar ooit mensen zijn geweest.

Weer een dag hard werken, in combinatie met de warmte in de hut en hun volle magen maakt dat de drie mensen al snel in slaap vallen, er op vertrouwend dat de wolf, die een plekje dicht bij de ingang heeft gezocht, hen tijdig voor dreigend gevaar waarschuwt.

 16_Het raadsel wordt groter

De zon komt net op wanneer Urgh wakker wordt met de geur en koude van verse sneeuw in zijn neus. Voorzichtig, om de beide vrouwen niet wakker te maken schuift hij naar de ingang en licht, door ervaring wijs geworden, de takken voorzichtig op om te voorkomen dat hij een partij verse sneeuw in zijn nek krijgt. Tot zijn blijdschap is er maar een klein beetje sneeuw gevallen. Zo weinig dat je er tussen de bomen niets van merkt en het op de lager gelegen delen van het land zo weg zal zijn wannee de zon gaat schijnen. Op handen en een knie gaat hij op zoek naar een geschikt plekje voor zijn ochtendritueel om even later tevreden terug de warmte in de den te kruipen.

Binnen port hij het vuur wat op, voegt er wat hout aan toe en zet een bak met water op de steen zodat ze straks iets warms te drinken hebben. Wanneer hij over zijn gezicht wrijft voelt hij de langer wordende baardharen in zijn gezicht. Nu het scherpe mes wat hij altijd gebruikt om die haren weg te halen op de bodem van de rivier ligt zit er niets anders op dan het te laten groeien. Hij krabt en zucht eens terwijl hij de takken bij de ingang weer opzij duwt en in de opening gaat zitten, zijn ogen gericht op het oude, onder een dun laagje sneeuw bedekte, lager gelegen kamp.

De eerste die zich langs hem heen wurmt op weg naar buiten is Kleintje, even later gevolgd door Tas. Wanneer Gaya kenbaar maakt dat ook zij er langs wil schuift hij wat aan de kant. Een half uur later genieten de drie mensen in stilte van een kop kruidenthee. Het is Tas die als eerste de stilte verbreekt en vraagt ‘Urgh, wat moeten we vandaag doen?’. De jager hoeft niet lang na te denken. ‘Watervoorraad aanvullen, vislijnen ocntroleren, strikken zetten om konijnen te vangen, hout sprokkelen voor het vuur, meer groenten en kruiden zoeken, wilgentenen verzamelen om manden en windschermen van te maken, vuurstenen zoeken’, somt hij op. Wanneer beide vrouwen kreunen voegt hij er aan toe ‘Maar dat kan en hoeft niet allemaal op een dag. Voldoende water en hout is voor nu het belangrijkste’.

Nadat beide vrouwen de beschutting van de den verlaten hebben om water te halen schuift/kruipt Urgh met de kleine bijl van Gaya in zijn hand richting een mensdikke omgevallen boom. Daar wil hij een stuk van hebben om een bak van te maken waarin gekookt kan worden. In de buurt van de omgevallen boom staan twee jonge, polsdikke loten. Hij bekijkt ze goed. Zouden die lang genoeg zijn om als kruk dienst te doen? Hij schud zijn hoofd. Eerst zorgen voor voldoende spullen om het koude deel van de lente te overleven, daarna komen de krukken aan de beurt.

Wanneer hij met het blok hout terug bij de schuilplek komt is de watervoorraad aangevuld, hangen er drie vissen aan de tak, ligt er een grote vuursteen onder de vissen en zijn beide vrouwen in geen velden of wegen te bekennen. Ught maakt de vissen schoon en legt ze op de stenen rand rondom het vuur om te drogen. De kop en de ingewanden legt hij een eindje bij de hut vandaan neer. Daar zal Kleintje straks wel korte metten mee maken maar hij realiseert zich dat ze wel een plek moeten kiezen waar ze hun afval gaan verzamelen.

Urgh schuift het hout naar binnen en gaat dan met Gaya’s bijl en de vuursteen voor de den zitten. Hij bekijkt de grote vuursteen van alle kanten, voelt, klopt, draait en voelt en klopt nog meer. Dan leg hij de steen op de grond, tussen een hand en zijn gezonde voet geklemd terwijl hij Gaya’s bijl in de ander hand neemt. Met een goed gerichte klap splijt hij de vuursteen in tweeën. Er springen ook wat scherpe splinters vanaf. Die legt hij voorzichtig aan de kant. Daar kan hij misschien een naald of een priem van maken. Maar nu heeft hij eerst een mes nodig.

De zon is al een uur of wat over haar hoogtepunt heen wanneer beide vrouwen bij de schuilplek terug komen. De omslagtas van Gaya puilt uit van de groenten en in haar hand heeft zij een grote bundel wilgentenen. Tas heeft twee met konijn gevulde strikken in haar ene hand. In haar andere hand heeft zij haar slinger, precies zoals Urgh haar opgedragen heeft. De vrouwen zien het houtblok, de gekliefde vuursteen, de scherpe splinters, een nieuwe bijl , een paar nieuwe strikken, de werpspiesen maar geen jager. Tas kijkt speurend rond en ziet dan een schuif/kruipspoor richting de oude vuurplaats. Er brandt een klein vuur in. Naast het vuur ligt de bovenkleding van Urgh uitgespreid. Urgh zelf zit aan de waterkant, gedeeltelijk in het water. Kleintje staat naast hem.

Tas pakt haar slinger en een van de werpspiesen van de jager, Gaya pakt de andere spies. Samen lopen beide vrouwen naar de oude vuurplaats om te zien wat de jager aan het doen is. Als de jager hun voetstappen hoort draait hij zich gedeeltelijk om. De ene helft van zijn gezicht is geschoren, de andere helft zit onder het schuim. ‘Er is genoeg schuimas als jullie jezelf of je kleding ook willen wassen’, zegt hij, alvorens verder te gaan met scheren. ‘Schuimas?’, vraagt Gaya, ‘Hoe weet een jager nu iets van schuimas? Wie ben jij Urgh? Wat ben jij Urgh?’.

Urgh doet er het zwijgen toe. Wanneer Gaya haar vraag wil herhalen schudt Urgh met en snelle blik op Tas, die net met een stuk schuimas de rivier in loopt, van nee. Zijn mond vormt het woord ‘later’. Wanneer Gaya beseft dat de jager verder niets meer gaat zeggen volgt zij het voorbeeld van het meisje, pakt een stuk schuimas, trekt haar kleding uit, loopt het koude water in en begint zich te wassen in de wetenschap dat het raadsel omtrent de lamme jager alleen maar groter is geworden.

17_Urgh’s verhaal

Een half uur later is iedereen fris gewassen en wordt het tijd terug naar de schuilplek te gaan. Tas draagt naast haar eigen natte kleding ook de nog vochtige kleding van Urgh. Terug bij de schuilplek hangt zij haar de kleding in de buurt van het vuur op. Urgh trekt die van hem weer aan. Met zijn slee is ook zijn extra set kleding verdwenen. Urgh pakt zijn nieuwe bijl en het houtblok en begint zwijgend het hart weg te hakken. Tas gaat bij de wilgentakken zitten en begint deze uit te zoeken. Gaya vilt buiten de konijnen. In tegenstelling tot de eerdere dagen gooit zij de huiden niet weg, en ook krijgt Kleintje de hersenen dit keer niet. De huiden legt zij op de den, de konijnenschedels met de hersenen er nog in neemt zij mee naar binnen. Daar pakt zij twee bakken, een grote en een kleine die zij beide vult met water. In de grootste doet zij de in stukken gesneden konijn met wat kruiden en zet de bak op de steen boven het vuur. De hersenen gaan, samen met wat water in de kleinste bak. ‘Wat ga je met die hersenen doen?’, vraagt Tas. ‘Dat hoeven we toch niet te eten hé?’ Urgh begint te grinniken. ‘Ik denk dat Gaya dat gaat gebruiken om de konijnenhuiden te prepareren’, zegt hij dan, ‘Zodat ze gebruikt kunnen worden zonder dat ze gaan stinken of rotten’.

Weer kijkt Gaya hem scherp aan maar houdt verder haar mond. Tas ziet de blik en zegt dan ‘Urgh is natuurlijk wel het kind van een medicijnvrouw en woont al zijn hele leven aan de vuurplaats van de onze dorpswijze, de oude dorpswijze Ergh en zijn vrouw Nana, de Oudste der Medicijnvrouwen. Nu is het de beurt van Urgh om verbaasd te kijken. ‘Wie heeft jou dit verteld?’, vraagt hij het meisje. ‘Tork?’. Zijn stem klinkt vol ongeloof. Het meisje schudt van nee. ‘Nee, Tork vindt het maar niets dat jij mij en de andere meisjes heeft leren vissen en jagen. Bovendien vindt hij dat wij te veel tijd met jou doorbrengen. “Dadelijk haalt hij zich wat in zijn hoofd over al die vrouwelijke aandacht”, zei Tork tegen Nana, waar ik bij was. Toen werd Nana boos en zei dat Urgh zich ten opzichten van vrouwen nooit misdragen heeft. “Bovendien’, zei Nana toen, “Is Urgh zich, in tegenstelling tot zijn vader, wel bewust van het belang van bloedlijnen en weet hij dat Tas zijn halfzusje is. Dus Tork, waar maak jij je zorgen over? Ben je bang dat je dochter zich beter kan verweren dan haar moeder ooit kon?”. Daar wist Tork weinig op te zeggen. Maar zodoende weet ik dus dat Urgh mijn halfbroer is’, eindigt Tas haar verhaal.

‘Dat verklaart de gelijkenis in lichaamsbouw, neus vorm van de oog’, zegt Gaya, ‘Maar nu snap ik er nog minder van. Als jij het kind van de Oude bent, waarom woon jij dan niet bij Tork aan het vuur? Waarom heeft Tork zo’n hekel aan jou?’.

Urgh twijfelt nog, kijkt van zijn halfzusje naar Gaya. Beide vrouwen kijken hem vragend aan. Dan begint hij te vertellen.

Een tiental generaties geleden werd ons dorp geleid door een dorpswijze die een medicijnvrouw als vuurpartner had. Het aantal niet levensvatbare en eeuwig kind kinderen was in die tijd groot, vooral binnen de gezinnen die niet buiten hun eigen vuurplaats naar een partner zochten. De dorpswijze en zijn partner bedachten dat het beter voor het dorp zou zijn wanneer de jonge mannen en vrouwen van het dorp hun partner buiten hun eigen vuurplaats en zelfs buiten het dorp zouden zoeken.

Tijdens de eerstvolgende Grote Bijeenkomst, waarin bewoners van vele dorpen uit de verre verre omtrek bij elkaar kwamen bespraken zij hun ideeën met de overige dorpswijzen en medicijnvrouwen. Zij stonden niet alleen in hun observaties en conclusies. Daarbij hadden een paar medicijnvrouwen van verafgelegen dorpen bedenkingen bij het op zeer jonge leeftijd krijgen van kinderen. De sterfte onder kraamvrouwen die nog maar net van meisje vrouw waren geworden lag veel hoger dan de sterfte onder de wat oudere vrouwen. Er werden regels bedacht over de afstand van verwantschap tussen nieuwe partners. Er werd besloten dat een meisje zeker drie jaar vrouw moest zijn voordat zij een partner kreeg en er werd een afspraak gemaakt over het tijdstip van overstappen door een vrouw van de ene vuurplaats naar de andere en wel tijdens haar maanstonde.

Niet alle dorpswijzen en medicijnvrouwen stonden achter de nieuwe regels genaamd Bloedlijnen. Niet elke dorpeling van de deelnemende dorpen wilde volgens de nieuwe regels gaan leven. Het duurde zeker zes generaties voordat de regels door de meeste mensen werden toegepast. Na die zes generaties wist elk kind standaard de bloedlijn van zowel hun moeder als hun vader te de tweede graad te benoemen. 

Zoals gezegd deden niet alle dorpen aan de nieuwe regels mee. Ook het dorp van mijn voorouders van moeders kant was zo’n dorp en op zekere dag liep een van hun medicijnvrouwen samen met haar man weg en arriveerde na vele omzwervingen in ons dorp. Deze medicijnvrouw is de overgrootmoeder van Nana. Ondanks dat ze beide er heel anders uitzagen dan de bewoners van ons dorp werden ze in het dorp welkom geheten. Zij ging samenwerken met de toenmalige medicijnvrouw, hij ging met de jagers mee op jacht. Zij kregen slechts een kind, een meisje wat net als haar ouders hele lichte haren had, ronde groene ogen en langer werd dan de meeste mannen van het dorp. Ook zij werd medicijnvrouw en toen zij volwassen werd deelde zij de vuurplaats met een van de jagers van het dorp. Samen kregen zij een dochter. Het meisje had lichter haar dan de rest van de dorpelingen (maar niet zo licht als dat van haar moeder, vader en grootmoeder) ronde ogen en een rechte neus. Dit meisje was net zo groot als menig man. 

Nana is het kind van dit meisje en haar vuurplaatspartner. Nana werd medicijnvrouw en verhuisde toen zij daar de leeftijd voor had werd zij de vuurpartner van Ergh, de zoon van de toenmalige dorpswijze. In tegenstelling tot haar voormoeders kreeg Nana twee kinderen. Eerst een meisje Onna genaamd en 10 winters later een jongen Elm. Omdat Nana de jongen nog zoogde bleef zij met nog wat dorpsgenoten achter terwijl haar vuurpartner, die ondertussen de plek als dorpswijze van zijn vader had overgenomen, samen met de rest van het dorp naar de Grote Bijeenkomst gingen. 

Net als haar voorouders was Onna lang voor haar leeftijd en leek daardoor ouder dan haar elf winters. 

Op dit punt in het verhaal aangekomen valt Urgh stil, alsof hij zijn gedachten wil ordenen.

18_Antwoorden en een nieuwe vraag

Al snel had zij een ‘aanbidder’ en Ergh werd door de vaders van jongeling benadert of zijn dochter niet met hun mee naar hun vuurplaats kon reizen. Argh weigerde dit. Zijn dochter was te jong. Bovendien behoorde de jongeling tot de voormalige stam van zijn vrouw’s voorouders. Een stam die niet aan bloedlijnen deed. Wie weet was die jongeling wel familie van zijn vrouw en dochter. Ook al zou het qua generaties een veilige bloedband zijn, Ergh wilde er niet van weten. Onna kon niet anders dan zich bij zijn beslissing neer leggen.

De dag na de weigering van haar aanbidder ging Onna samen met nog wat meisjes uit naburige tijdelijke kampen naar een medicijnvrouwen bijeenkomst in het hoofdkamp. Op de weg terug van die bijeenkomst werden de meisjes opgewacht door een aantal jongemannen, waaronder Onna’s aanbidder.  De vreugde van Onna en de andere meisjes bij het zien van al die knappe jongens veranderde al snel in ontzetting toen bleek dat de jongens besloten hadden dat te pakken wat ze niet konden krijgen. Zo werd Onna verkracht door de man van haar dromen. 

De ontredderde meisjes werden gevonden door de medicijnvrouw van een naburig kamp. De diverse ouders en dorpswijze werden gewaarschuwd terwijl de medicijnvrouw aan de slag ging om een medicijn te maken om te voorkomen dat een van de meisjes zwanger zou worden van haar verkrachter. Nog diezelfde dag brak Ergh het kamp op en vertrok met alle dorpelingen en zijn dochter naar huis.

Of het drankje van de medicijnvrouw was te zwak of mijn wil om te leven was te groot. Dik 9 manen na de reis werd ik geboren. Het was een zware bevalling en Nana had al haar kennis als Medicijnvrouw nodig om Onna en mij te redden maar na die zware bevalling was Onna te ziek om mij te zogen. Dat deed Nana. Zo werd Elm mijn melkbroeder. Ik groeide voorspoedig en al snel werd duidelijk dat ik in niets op de dorpelingen leek. Ik was groter dan de andere kinderen die in die tijd werden geboren, had lichte haren en groene ogen. Het evenbeeld van mijn vader. 

Een jaar of zes na mijn geboorte verhuisde moeder naar de vuurplaats van Tork en jong en ambitieus jager. Mij liet zij als een boze herinnering bij haar ouders achter. Toen ik twaalf winters was, was Onna voor de derde maal na mijn geboorte zwanger. De eerste twee kinderen, jongetjes, hadden de bevalling niet overleefd. Volgens moeder kwam dat door mijn aanwezigheid in het dorp en daarom werd ik rond de geplande bevallingstijd van dit kind met de jagers meegestuurd. Volgens Onna werkte dat want Tas werd geboren en bleef leven. Ik ging na die keer, ondanks protesten van Nana dat ik te jong was, met bijna elke jacht mee. Het was een harde tijd, een zware leerschool, maar ik leerde snel en was al snel een van de beste jagers. Misschien wel de beste.  De meeste jager waren blij met mijn aanwezigheid. Nana had mij het een en ander over kruiden geleerd en zij had mij geleerd hoe ik gebroken botten kon zetten.

Tijdens mijn voorlaatste jacht ging er iets fout en Zan de broer van Tork, raakte zwaar gewond. Terwijl de rest van de mannen met de buit terug naar het dorp ginge bleef ik met hem in een schuilplek achter. Ik verzorgde zijn wonden en toen de jagers twee manen later terug kwamen was Zan ver genoeg opgeknapt om samen met mij en de jagers mee te gaan jagen. Het duurde even voordat we de mammoeten vonden. Het dier wat Tork uitzocht om te doden was een jonge stier. Jonge stieren zijn onbetrouwbaar in hun gedraag maar het vlees is het lekkerst. Tijdens het gevecht met de stier braken ineens de koorden van mijn beenbedekking. Ik struikelde, probeerde op te staan maar in het heetst van de strijd werd ik door Tork omver gelopen. En toen viel die Mammoet mijn kant op en werd ik door het beest in zijn doodstrijd geplet. 

Toen ik onder de mammoet vandaan getrokken werd wist ik dat het fout was. Ik had zo veel botten gebroken, dat kon nooit meer goed komen. Vooral mijn rechterbeen was een ramp. Zan en Tak probeerde met mijn aanwijzingen nog wel mijn linkerbeen te zetten maar hij werd ziek van hoe mijn rechterbeen er uit zag. Daarom volgde hij mijn instructies op en liet mij ingebakerd op de draagbaar vastmaken. Iedereen ging er van uit dat ik zou sterven, zo ook ik.. Tijdens de reis naar huis zorgde Zan voor mij, gaf mij mijn eigen kruidenthee te drinken. Tegen de tijd dat we in het dorp aankwamen was ik al een dag of zeven niet meer bij kennis geweest. De rest weten jullie. Elm wilde mijn geest naar de Voorouders begeleiden, die weigerde mij tot hun toe te laten en dankzij de Nana en Onna bleef ik in leven. Alleen mijn benen konden mij niet meer dragen. En hoeveel kennis Nana ook van botten heeft… zij zag het niet zitten om die zeven breuken in mijn rechterbeen opnieuw te breken, als haar dat na 16 nachten nog zou lukken’.

De stilte die volgt op het verhaal van Urgh hangt in de lucht. De drie mensen zijn in gedachten verzonken. Beide vrouwen overdenken wat zij gehoord hebben, hebben nog vragen. Dan schudt Urgh zijn hoofd, alsof hij de gedachten aan zijn lopend leven wil wegjagen en zegt ‘En wat is jouw verhaal Gaya? Waar kom jij vandaan en waarom woon jij nu bij ons’?

19_Gaya’s geschiedenis

De vrouw kijkt de man verbaasd aan en zegt dan hakkelend, ‘Mijn verhaal? Wil je mijn verhaal horen?’ Ze slikt even. Urgh knikt haar vriendelijke toe en zegt dan ‘Gaya, Tas, wat denken jullie er van. Zullen we eerst wat te eten pakken’? Nog voor Gaya kan antwoorden staat Tas op en schept snel drie etenskommen vol en deelt deze rond. Dan gaat zij tevreden zitten, klaar om aan te vallen. Urgh zegt grinnikend ‘Het is maar goed dat je zelf ook kunt jagen, want tegen jouw eetlust is door een man niet op te jagen’.  Het antwoord van Tas is kort maar krachtig: Tussen twee happen door steekt zij haar tong uit naar de jager.  Dan schrikt zij van haar eigen vrijpostigheid. ‘Sorry’, mompelt Tas, maar Urgh haalt zijn schouders op en lacht haar vrolijk toe, blij als hij is dat dat ene grote geheim wat zo zwaar op hem drukte geen geheim meer is.

De ‘kennismaking’ tussen broer en zus gaat gedeeltelijk aan Gaya voorbij. In gedachten verzonken eet zij haar kom leeg en denkt terug aan de tijd dat zij nog een broer en zussen had, ouders, ooms, tantes, grootouders, dorpsgenoten. Na het eten doet Tas de afwas en gaat extra water halen zodat de watermand weer helemaal gevuld is. Gezeten op een steen in de buurt van de den houdt Urgh haar in het zicht, slinger in zijn hand. Na het vertellen van zijn verhaal realiseert hij zich meer dan voorheen dat de twee vrouwen en hij niet alleen op moeten passen voor de wilde dieren, maar ook voor eventuele mensen die hun kampplaats aan doen. Gelukkig is Kleintje altijd waaks.

Als Urgh en Tas zich weer onder de den terugtrekken zit Gaya nog steeds wat voor zich uit te staren. Tas wil wat zeggen maar Urgh schudt zijn hoofd en maakt een gebaar van ‘laat haar maar’. Als geen ander weet Urgh hoe zwaar het verleden op een mens kunnen drukken, wat het met mensen doet. Tas zet een kom met water en wat kruiden op de vuursteen en gaat zitten wachten tot het kookt. Ineens begint Gaya te praten.

‘Ik ben de vierde dochter van een Medicijnvrouw en net als mijn drie zussen had ik hetzelfde talent als moeder. Moeder wilde mij en mijn twee jaar oudere zus eigenlijk niet trainen. Twee medicijnvrouwen per dorp is meer dan genoeg. Ons trainen zou betekenen dat ze afstand van ons zou moeten doen als wij eenmaal de leeftijd hadden dat we zelfstandig konden gaan werken. Maar ja, wanneer je aan een vuur woont met een medicijnvrouw die leerlingen opleidt pik je vanzelf van alles op. Hierbij kijkt Gaya broer en zus even aan, die beide opgegroeid zijn aan een vuur met een medicijnvrouw en meteen begrijpen wat zij bedoelt.

Ons dorp was welvarend en we groeide en groeide net als een van onze buurdorpen. De beide dorpswijze kwamen bijeen en besloten dat het tijd werd dat er een derde dorp kwam zodat de verzamel- en jaaglasten wat eerlijker werden verdeeld.  Beide dorpen leverde 3 vuurplaatsen. Ons dorp leverde een medicijnvrouw, het andere dorp een dorpswijze. Zij gingen in een grottenstelsen op bijna een dag lopen van ons dorp wonen. Mijn oudste zus nam mij mee als haar medicijnvrouw in opleiding. 

Toen wij ongeveer vijf winters in de grotten woonde brak er net voor de winter een ziekte uit. Eerst werden de oudste, zwakste en kleinste ziek, kregen hoge koorts, moesten hoesten, kregen het benauwd, hoestte bloed op en stierven. De eerste volwassenen en oudere kinderen waren ondertussen ook ziek geworden. Mijn zus en ik deden wat we konden, maar we konden niet genoeg. De ene na de andere dorpsgenoot overleed. Toen werd mijn zus ziek en stond ik er alleen voor. Net toen ik het niet meer verwachtte toonde een van de jongelingen tekenen van herstel. Er volgde nog een vrouw die het redden en toen stortte ik in. Ook ik had de ziekte gekregen. 

Na een dikke week met hoge koorts bleek ik een van de weinige te zijn die de ziekte ging overleven. Een maan na het eerste ziektegeval leefde er nog net genoeg mensen voor een vuurplaats. De meeste overlevenden hadden hun oorsprong in het andere dorp. We hadden nog een maan tijd nodig om sterk genoeg te worden om terug te keren naar onze dorpen. Met mijn overgebleven dorpsgenoten trok ik naar ons oude dorp. Daar bleek niemand meer in leven te zijn. We trokken door naar het andere dorp. Ook daar waren de verliezen groot maar niet zo groot als in de twee andere dorpen. Ongeveer de helft van de vuren branden nog. Die winter was een zware, koude winter die zijn tol eiste onder de overlevende van de ziekte. Toen de lente kwam branden er nog slechts twee vuren. Te weinig om te overleven. Wij moesten op zoek naar een dorp wat genegen was ons op te nemen.

Die zomer was er een Grote Bijeenkomst. Als medicijnvrouw deed ik ons verhaal voor de vergadering van dorpswijzen en medicijnvrouwen en al snel konden wij uit diverse dorpen kiezen. Tenminste de jagers. Goede jagers zijn in elk dorp welkom, maar geen enkel dorp leek plaats te hebben voor een medicijnvrouw in opleiding onder wiens handen zo ongeveer een heel dorp gestorven was. Ik was daarom ook zeer verbaasd toen op een dag Nana mij kwamen vragen mee te gaan naar hun dorp. Nana vertelde mij dat er op dit moment twee medicijnvrouwen in haar dorp waren, haar dochter en zij, en dat er zij sinds kort een meisje in opleiding had maar, zei zij, ‘ik heb een visioen gehad waarin ons dorp rouwde om haar medicijnvrouw dus ik ga er van uit dat ik niet lang meer te leven heb’.

Zo ben ik in jullie dorp terecht gekomen. Nana regelde voor mij een plekje aan de vuurplaats van Azel en Yali zijn vrouw, in afwachting van haar overlijden en mijn verhuizing naar de vuurplaats van de dorpswijze. Zoals jullie weten was het niet Nana, maar Onna, haar dochter die kwam te overlijden’. Gaya kijkt haar  beide toehoorders aan en zegt dan ‘Ik mis mijn familie en dorpsgenoten zo’.

20_Regen

Tijdens de stilte die volgt op haar verhaal schept Tas drie kommen kruidenthee in en deelt deze uit. Zwijgend drinken de drie mensen hun thee. Het is Urgh die de stilte doorbreekt, naar de vrouw toe schuifelt, een arm om haar heen slaat en zegt: ‘Gaya, het spijt me dat ik er naar gevraagd heb, dat je door mij de pijn weer doormaakt van iedereen die je lief is te verliezen’. De vrouw kijkt hem aan, wil zijn arm wegduwen maar ziet de blik in de ogen van de jager en begint te huilen. De jager weet even niet wat te doen maar dan zegt Tas ‘Houdt haar stevig vast Urgh, ben er voor haar. Laat haar huilen’.

Aarzelend doet de jager wat zijn kleine zus hem opdraagt. Hij slaat twee armen om de huilende vrouw heen en laat haar tegen zijn schouder huilen. Onhandig klopt hij haar troostend op haar rug. Het heftige snikken van Gaya gaat over in zachtjes snikken en uiteindelijk valt zij van uitputting tegen de schouder van de jager in slaap. Voorzichtig en gehinderd door twee benen die niet echt mee willen werken legt de jager de vrouw zonder haar los te laten voorzichtig op de grond. Tas dempt het vuur, legt de slaaprol van Gaya over de jager en de vrouw heen en pakt dan haar eigen slaaprol.  Kleintje neemt zijn plaats bij de ingang in. Al snel slapen ook de jager en het meisje en wordt de stilte van de nacht slechts af en toe doorbroken door een zachte snik van Gaya.

Wanneer de jager wakker wordt ligt Gaya nog steeds in zijn armen, haar haren kriebelen in zijn gezicht. Voorzichtig, om haar niet wakker te maken trekt hij zijn arm onder haar vandaan, legt de slaaprol goed over haar heen en kruipt voorzichtig de den uit, naar buiten, de regen in. Kleintje volgt hem op de voet.

Net als gisteren met de sneeuw valt de regen tussen de bomen wel mee, maar buiten de boomlijn is duidelijk te zien dat het hard regent. Urgh kijkt naar de wolken. Die zijn grijs zo ver hij kan zien. Dat voorspelt weinig goeds weet hij. Na zijn ochtendritueel kruipt hij terug de den in, trekt zijn tuniek uit om het droog te houden en pakt zijn bijl. Hij kruipt/schuift naar dezelfde plek waar hij gisteren ook hout heeft gehaald voor een kom. Hij kapt nog een stuk van de boom om een kom uit te maken en maakt dan korte metten met de twee jonge loten.

Het blok hout voor zich uit duwend kruipt hij terug naar de den. Tas is ondertussen ook wakker geworden en rakelt het vuur wat op voor de ochtendthee. Urgh vraagt haar de twee loten te gaan halen en naast de den te leggen. ‘Misschien dat je straks na de ochtendthee nog wat brandhout kunt sprokkelen’, voegt hij er aan toe. Hij laat zijn blik even over de plek waar de vislijnen liggen gaan.  Tas volgt zijn blik en slikt. ‘Moet ik..?’, vraagt ze met duidelijke tegenzin. ‘Misschien later op de dag, als het droog is’, antwoord  Urgh, ‘Voor nu hebben we eten genoeg en weinig ruimte om veel te bewaren’. Opgelucht gaat Tas de twee boomloten halen, terwijl Urgh onder de den kruipt en zijn shirt weer aandoet.

Net wanneer Gaya wakker wordt kruipt ook Tas weer onder de takken door die als ingang dienst doen. Even later zitten de drie mensen aan de warme thee. ‘Wat staat er voor vandaag op het programma?’, vraagt Gaya. ‘Binnen klusjes’, is het antwoord. ‘Het is niet echt weer om veel en lang buiten te zijn. Wel hebben we extra brandhout nodig’. Gaya verlaat de den even voor haar ochtendritueel en kan niet anders dan het met de jager eens zijn.

Na de ochtendthee plukt Gaya een paar klein takje van de boom die hun tijdelijk thuis is. Kauwend op een van de takjes biedt ze haar den-genoten ook een takje aan. Wanneer een kant van het takje goed vezelig is gekauwd gebruikt zij de vezels om haar tanden mee te poetsen. Daarna gooit zij het takje op het vuur. De takjes van haar metgezellen volgen even later.  Gaya pakt de twee konijnenhuiden die ze mee naar binnen heeft genomen, pakt haar mes en begint met het schoonmaken van de huiden. Tas probeert ondertussen de takken bij de ingang zo over elkaar te schuiven dat er wel licht maar geen water binnen komt. Al snel zit Urgh op zijn knieën bij haar. Met behulp van wat twijgen en grastouw is de klus snel geklaard. Urgh gaat verder met het uitbikken van de kookpot terwijl Tas met de wilgentenen aan de slag gaat om een extra voorraadmand te maken.

Aan het eind van de middag is het even droog. Tas gaat gewapend met haar slinger en nieuwe mand hout sprokkelen en misschien wel iets te eten slingeren. Gaya zet eerst de door Urgh gemaakte kookpot op een steen buiten de den om regenwater in op te vangen en gaat dan de vislijnen controleren en Urgh…. Urgh begint zuchtend aan een tweede kookpot. Pas wanneer hij die af heeft mag hij van zichzelf aan de krukken beginnen. Beide vrouwen zijn nog maar net binnen wanneer het weer begint te regenen. De wind is gedraaid waardoor het inregent en er niets anders zit dan het daglicht buiten te sluiten.  Bij het licht van het kleine vuur kan er niet gewerkt worden. De drie mensen eten en kletsen nog wat en gaan dan vroeg slapen in de hoop dat het de volgende dag droog is.

Ze hebben pech. De volgende dag is het net zulk weer als de dag er voor. Net als de volgende en de daaropvolgende dag. Wanneer het even wat minder hard regent zorgen de vrouwen voor eten, brandhout en extra wilgentenen. Deze laatsten worden tot matten gevlochten zodat ze niet meer op de vochtig wordende zandgrond hoeven te zitten en te slapen. De wereld rondom de den verandert in een steeds groter wordende modderpoel waardoor de beperkte bewegingsvrijheid van Urgh nog kleiner wordt en hij alleen nog maar buiten komt wanneer het echt niet anders kan. Na elk uitstapje keert de man viezer en somberder terug naar het plekje onder de den. De gesprekken verstommen.

Pas aan het eind van de ochtend van de vijfde dag houdt het op met regenen en breekt de zon door. Opgelucht dat ze even bij de sombere jager weg kunnen gaan beide vrouwen hout sprokkelen en jagen terwijl Urgh richting de steen voor de den verhuisd om daar aan zijn krukken te beginnen. Verlangend kijkt hij naar de rivier en zucht. Zo lang de helling en het rivierstrand nog een grote modderpool zijn kan hij geen kant op. Naar de rivier kruipen/glijden om zich te wassen heeft geen zin. Voordat hij terug boven bij de is is hij smeriger dan nu. Urgh pakt zijn bijl en begint met de boomloten tot manshoogte in te korten.

© Rianne, mei 2013 – februari 2014

Advertenties