Lamme Urgh

Boek van Urgh_071_080

cropped-urgh2

71_Het leven gaat verder

De weide is nog steeds verborgen onder een dik pak sneeuw wanneer de lente zonnewende een feit is. Ondanks de sneeuw en de kou verzamelen de dorpsbewoners zich rondom het vuur op de weide om de komst van de lente te vieren. De stemming onder de bewoners is goed. Er is, ondanks de tijd van het jaar, voldoende te eten waardoor niet alleen de volwassenen het goed maken maar ook de kinderen goed gedijen. Zowel Schaap als de overgebleven vier ooien zijn drachtig. Bijgestaan in raad en wat minder in daad door Azel is Elm druk doende om om de stal naast hun hut uit te breiden en een deel van de weide te voorzien van een afrastering om te voorkomen dat de nieuw te verwachten lammeren gaan dwalen. Azel zelf is samen met Oz druk doende met het verzamelen van materialen om nog twee hutten te kunnen bouwen zodat voor de volgende winter iedereen op de weide woont en Urgh werkt gestaag verder aan zijn ‘drijvende boomstam’.

Na in eerste instantie te zijn begonnen met het uithollen van de boomstam herinnerde hij zich een paar dagen na de geboorte van Klee de les in het maken van kommen die Azel aan Elm en hem gegeven heeft. ‘Je begint altijd aan de onderkant’, waren de wijze woorden van Azel.  Met de hulp van Elm en Azel keert Urgh de boomstam om en begint met het gladmaken van de onderkant. Het is langzaam en zwaar werk. Werk waar niet alle bewoners van grot en weide het nut van inzien maar aangezien de manden met aanmaakhoutjes altijd vol zijn zegt niemand er wat van.

Een volle maan na de lente zonnewende wordt het dan  eindelijk echt lente. Onder invloed van de zon verdwijnt de sneeuw in een rap tempo en begint de natuur aan een inhaalslag. Bomen en struiken lopen uit en laten al snel hun prachtige bloesems zien. Nestelende vogels kwetteren dat het een lieve lust is, lammeren worden geboren. De eerste aarde wordt gebroken en het zaaigoed gaat de grond in. De jagers maken gebruik van het mooie weer om verder weg te gaan jagen, blijven telkens een aantal nachten weg en komen beladen met buit terug.

De zomer zonnewende nadert. De kleine Mus kletst iedereen de oren van het hoofd, de tweeling zet hun eerste stapjes. De afrastering van de weide blijkt niet alleen handig om de lammeren in de buurt te houden maar ook Mus en de tweeling. Azel, Elm en Oz zijn druk bezig met het bouwen van hut nummer vier en vijf. Het is de bedoeling dat rond de viering van de herfst zonnewende iedereen de grotten verlaten heeft. Maar zo ver is het nog niet. Eerst moet de zomer zonnewende nog gevierd worden.

Aan het eind van een warme zomerdag legt Urgh zijn bijl aan de kant en pakt zijn krukken en loopt een paar passen bij zijn drijfboom vandaan om zijn werk in ogenschouw te nemen. Hij kijkt naar de botte achterkant, de iets spitse voorkant, de gladde binnenkant ‘Volgens mij is hij klaar en kan je hem proberen’, hoort hij Azel achter hem zeggen. ‘Ik weet het niet’, zegt hij aarzelend. ‘Eigenlijk weet ik niet of dit wel een goed idee is’, voegt hij er aan toe. Azel grinnikt even. ‘Dat weet je pas wanneer je hem probeert jongen’, is zijn antwoord. Urgh kijkt nog steeds bedenkelijk maar krijgt geen kans meer om iets te zeggen. Ineens staan Elm, Tork, Flik en Frag naast de drijfboom en met vereende krachten wordt zijn werkstuk over de weide via het pad naar het strand versleept. Langzaam loopt hij achter de mannen en de drijfboom aan. Hij is niet de enigste ziet hij. Het hele dorp is uitgelopen om te zien of de ‘vinding’ van hun dorpswijze werkt.

De mannen schuiven de drijfboom een stuk het water in. Alleen de botte achterkant ligt nog op het strand. ‘Stap in Urgh, stap in’, zegt Azel en gedwee gaat Urgh op de rand van de drijfboom zitten, laat zijn krukken los en schuift de boom in. Zijn hart klopt in zijn keel wanneer de mannen de drijfboom een laatste duwtje geven zodat zij helemaal op het water ligt. Langzaam deint de uitgeholde boomstam op het water op en neer maar zinkt niet. Zijn dorpsgenoten beginnen te juichen bij het zien van de boomstam die langzaam de rivier op drijft. Opgelucht haalt Urgh adem. Zijn idee werkt! Snel steekt hij zijn handen in het water en probeert de boom tegen de stroming in te sturen. Dat lukt maar matig en hij is blij wanneer de overige mannen de drijfboom terug naar de wal duwen. Voorzichtig gaat Urgh weer op de rand van de boot zitten en pakt zijn krukken die Elm hem toesteekt aan. ‘Ik moet iets bedenken om te sturen’, zegt hij met een brede grijns op zijn gezicht, ‘En iets om te peddelen. Mijn handen zijn te klein. Maar het werkt. Het werkt!’

Hij grijnst nog steeds wanneer hij met een kom eten bij het kookvuur zit. Zijn vinding werkt. En hoewel hij niet weet waar dit toe leidt vermoedt hij wel dat deze vinding goed is voor het dorp.

72_De kleine Zen

Ruim vier jaar zijn er verstreken sinds de bouw van de eerste hutten, de geboortegolf en Urgh’s eerste korte uitstapje met een drijfboot. Urgh’s dorp is klein maar welvarend. De bewoners zijn weldoorvoed en tevreden. Er staan nu zes hutten op de weide, op het strand liggen acht drijfboten. Drie zomers geleden zijn Zoe en Krap vuurpartners geworden en is Moos, zoon van Tas en Flik geboren. Twee zomers geleden hebben Pew en Krom nog een derde kindje, een dochtertje genaamd Jool, gekregen en werd bij Marg en Elm nog een jongetje, genaamd Mel, geboren. Alle kinderen verkeren in goede gezondheid, net als hun ouders.

Op een warme dag, halverwege de zomerzonnewende en de herfstwende, staan Oz en Urgh, omringd door de kinderen van het dorp, op de kleine weide die dienst doet als oefenweide voor het slinger werpen. De stenen van Mus en Storm raken het doel bijna elke keer. Vol trots ziet Urgh hoe de stenen van zijn dochter Klee, net als die van Luna, vaker wel dan niet het doel raken. Ook Run en Teem beginnen de techniek van het slinger werpen door te krijgen. Dan is het de buurt aan eeuwig kind Zen. Zoals gewoonlijk vliegen de stenen alle kanten op. Geen enkele steen raakt het beoogde doel. Het deert Zen niet. Hij joelt en lacht na elke steen die zijn slinger verlaat. De andere kinderen joelen moedigen hem aan. Klappen net als Zen voor elke boom die per ongeluk wordt geraakt. Voor elke vogel die uit het struikgewas opvliegt omdat een steen die kant opvliegt. Voor elke keer dat Oz of een van hen opzij moet springen om niet geraakt te worden door een steen. Dan ligt er nog slechts een steen op Zen te wachten. Hij neemt de steen in zijn hand en kijkt Urgh verwachtingsvol aan. De voormalig jager laat zich lachend door de knieën zakken en gaat achter de jongen zitten, met zijn hand om de slingerhand van de jongen. Voorzichtig draait hij de jongen een klein beetje zodat hij goed voor het doel staat. Zen legt de steen in de slinger en samen draaien ze de slinger een aantal rond tot dat het moment daar is om de steen te laten gaan. ‘Nu’, zegt Urgh zachtjes en door een klein beetje druk op de hand van Zen uit te oefenen zwiert deze de steen uit de slinger. Voor het eerst sinds hij met de slinger oefent raakt zijn steen het doel. Blij danst de kleine jongen in het rond, verliest zijn evenwicht en valt. ‘Sten rak! Sten rak!’ roept hij trots naar de andere kinderen die net zo uitgelaten als Zen dansen en lachen.

Zen’s laatste steen wordt gevolgd door het zoeken en terugleggen van de stenen in de mand bij de oefenweide. Met een kreun hijst Oz de mand op zijn rug. ‘Oz wordt oud’, denkt Urgh. Deze gedachten wordt gevolgd door het besef dat Oz niet oud wordt maar oud is. Net als Nana. In ganzenpas lopen de twee mannen en de zeven kinderen naar huis. Het tempo ligt laag. Zen loopt nog wankel en valt vaak. Het is Mus die hem telkens weer met eindeloos geduld opraapt. Bij de grote weide aangekomen vindt Zen het wel welletjes geweest. Hij laat zich op de grond vallen en kruipt/schuifelt zo snel hij kan richting het grote vuur, richting zijn moeder. ‘Mom mom!’, roept hij, ‘Sten rak, sten rak!’ ‘Mama is trots op je Zen’, zegt zij. Zen kruipt bij zijn moeder op schoot, kijkt haar stralend aan en zegt: ‘Jurg helpt bitje’. Ani geeft haar zoon een stevig knuffel en werpt de dorpswijze een dankbare blik toe. Urgh grinnikt een beetje verlegen terug en neemt plaats bij het vuur.

Zoals gewoonlijk zijn Oz, Urgh en de kinderen als eerste terug bij het vuur waar Ani, Nana, Rin en Pon bezig zijn met het bereiden van het avondeten en het drogen en verwerken van de vangst van gisteren. Azel en Yali zitten beide nog onder het afdak bij hun hut. Beide leggen de laatste hand aan een kom. Urgh maakt het zich met zijn rug tegen een boomstam gemakkelijk. Rin brengt hem een kom kruidenthee. Tevreden kijkt hij om zich heen. Naar de werkende mensen, de spelende kinderen. In de verte ziet hij twee drijfbomen aankomen. In de ene zitten Flik, Tas en Moos, in de andere Krap en Zoe. Net voordat ze door de bomen en een stuk van de helling aan het oog worden onttrokken ziet Urgh Tas en Moos zwaaien. Loom zwaait hij terug. Een zacht geblaat uit de verte kondigt de komst van Elm, Marg, de medicijnvrouwen en de schapen aan. En Kleintje natuurlijk. Pas als alle schapen veilig in de kraal staan neemt Kleintje de tijd om eerst Urgh en dan Klee en Zen te begroeten. Zijn grootste en natste lik is als altijd voor Zen die vrolijk terug likt. De vijf mensen die er met de drijfbomen op uit zijn geweest lopen de weide al op wanneer een schel gefluit de komst van de jagers aankondigt. Meteen laat Zen de hals van de wolf los en begeeft zich zo snel hij kan richting het pad om zijn vader en de andere jagers te begroeten. ‘En sten rak!’, jubelt hij terwijl hij zich vastklemt aan het been van zijn vader die ondanks het extra gewicht aan zijn been rustig doorloopt. ‘Zo zo’, zegt hij tegen zijn zoon. ‘Raak gegooid. Dan is Zen nu een echte jager’. Verrukt laat de jongen zijn vaders been los. ‘En nu jagr’, zegt hij met een brede lach op zijn gezicht. ‘En nu jagr’.  Zen’s oog valt op Urgh die het tafereeltje lachend bekijkt en zijn gezicht betrekt. ‘Jurg bitje helpt’, zegt hij dan waarheidsgetrouw. ‘En nit jagr’. De tranen springen hem in de ogen en hij laat zijn vaders been los. Op dat moment is het Elm die de jachtbuit van Zan overneemt zodat Zan zich over zijn zoon kan ontfermen. Hij tilt de jongen op, kijkt hem recht aan en zegt serieus: ‘Zen, als geholpen worden door Urgh betekent dat jij geen jager bent, dan zijn wij geen van allen jagers. Jagers helpen elkaar. Dat is deel van het jager-zijn. Zen is een echte jager’. Met voldoening ziet Zan hoe het gezichtje van zijn zoon weer opklaart. De kleine jongen heeft zijn armen nog steeds stevig om de nek van zijn vader geslagen wanneer deze naast Urgh plaats neemt. Niet voor de eerste maar zeker niet voor de  laatste keer is hij zijn zorgzoon dankbaar voor het feit dat hij dit kind, zijn kind, liet leven. Is hij de mede weidebewoners dankbaar voor alle hulp die zij Ani en hem bieden om het leven van hen beide en de kleine Zen zo aangenaam mogelijk te maken. Dan maakt Zen zich los uit de greep van zijn vader en waggelt richting de andere kinderen. Klaar om mee te spelen. Klaar om te lachen, te schatteren, te vallen en weer op te staan.

73_Hun reis zit er op

De zomer gaat over in de herfst. Warme dagen worden afgewisseld met dagen vol regen en wind. De bladeren aan de bomen verkleuren van groen naar geel, oranje, rood en bruin. De dagen korten, de nachten lengen. Het wordt natter en kouder. Het grote vuur op de weide dooft. Het is vaak te nat om daar te koken of te eten. Het kookvuur onder het vergrootte afdak voor de hut van Urgh wordt ontstoken. Met een beetje schikken is daar net ruimte genoeg om met z’n allen te eten. De herfstwende wordt daar gevierd. De voedselputten beneden in de grotten zitten boordevol eten. De jagers en voedselverzamelaars besteden meer en meer tijd aan het sprokkelen en kappen van brandhout. Zoals zo vaak wanneer de winter bijna voor de deur staat klaart het weer nog even op. Regen en wind verdwijnen en de laaghangende najaarszon verwarmt mens en dier op de weide.

Tak, Yeti, hun beide zoons Flik en Krap en Krap’s vuurpartner Zoe maken van de gelegenheid gebruik om nog eenmaal een paar daagse tocht met de drijfbomen te gaan maken. Tas en de kleine Moos die een beetje snotterig is blijven in het dorp achter.  Op verzoek van de kleintjes gaat Urgh nog een keer met hen naar de oefenweide. Stijf en stram staat Oz op om mee te gaan. Ondanks de pijnstillende drankjes die Nana voor hem maakt heeft de oude man veel pijn aan zijn botten. ‘Blijf lekker bij het vuur zitten Oz’, zegt Tas. ‘Ik ga vandaag met Urgh en de kleintjes mee naar de oefenweide’. Dankbaar gaat de oude man weer zitten. Nana, die naast hem zit, trekt de warme huid van een holenleeuw weer stevig rond zijn oude lijf. Na Urgh, Tas en de kleintjes vertrekken ook de andere weidebewoners en al snel zitten alleen Oz en Nana nog bij het vuur. Er trekt een pijnscheut door het uitgemergelde lijf van de oude man die maakt dat hij even compleet verstijfd. ‘Is het tijd?’, vraagt Nana zachtjes. ‘ja’, zegt de oude man, ‘Het is tijd’. Nana kijkt hem aan. Tranen springen in haar ogen. ‘Weet je het zeker?’, wil zij weten. Een volgende pijnscheut ontneemt de oude man zijn adem. ‘Je weet het zeker!’, zegt zij dan. Zij staat op, pakt een kleine kom waar zij een bodempje water in doet en zet de kom naast het vuur. Dan maakt zij een kleine buidel los van haar riem en kiept de volledige inhoud van de buidel in de kom. De gedroogde rode bessen zuigen zich vol met vocht. Met een steen plet zij bes en pit, net zo lang tot er slechts een rode brij in de kom zit. Zij reikt haar vuurpartner de kom aan. Dankbaar zet hij de kom aan zijn lippen en neemt een slok, nog een en nog een. Wanneer hij ongeveer de helft op heeft pakt Nana de kom uit zijn handen. Zij gooit nog wat takken en houtsnippers op het vuur en rakelt het wat op. Als in een trance verzonken drinkt zij de rest van de brij op. ‘Nana’, zegt har vuurpartner, ‘Wat doe je nou?’. Met een glimlach gooit zij de nu lege kom op het vuur, kruipt dicht tegen haar vuurpartner aan en slaat de huid om hen beide heen. ‘Ik ga met je mee naar de voorouders’, antwoord zij zachtjes. ‘Zodat we voor altijd samen kunnen zijn’.

Met de armen om elkaar heen geslagen kijken zij uit over de weide en de rivier er achter. Woorden zijn niet meer nodig. De beide oudjes laten elkaar zelfs niet los wanneer de door het gif opgeroepen spasmen door hun lichaam trekken. De spasmen worden al snel gevolgd door bewustzijnsverlies.

Het zijn Rin, Ani, Gaya en Pew die hen een paar uur later vinden. De genadige dood heeft dan al zijn intrede gedaan. Tranen lopen over haar wangen. Met een liefdevol gebaar sluit Gaya de ogen van beide overledenen. Ondanks al haar nukken is de oude vrouw haar dierbaar. Om alles wat zij voor haar, Gaya, heeft gedaan. Voor het opvoeden van Urgh. Urgh! Natuurlijk, Urgh moet dit weten. En Tas en Elm ook. Met een resoluut gebaar veegt Gaya haar tranen weg en kijkt haar metgezellen aan. ‘Urgh moet dit weten’, zegt zij. ‘Hij moet zo snel mogelijk hier naar toe komen zodat hij hun geest, mocht dat nodig zijn, naar de voorouders kan vergezellen. Rin, wil jij Urgh, Tas en de kleintjes gaan halen? En jij Pew, wil jij Elm en Marg gaan zoeken? Dan kan Ani beginnen met koken en kan ik het kruidenmengsel, benodigd voor de lijkverbranding, bij elkaar zoeken’.

Die avond wordt er in stilte gegeten. Iedereen is in gedachten bij de twee oudste mensen die zij ooit hebben gekend. Bij de eerste twee doden van de hutten. De stilte wordt verbroken door Urgh. ‘Ze zijn bij de voorouders aangekomen’, zegt hij rustig, ‘Hun reis zit er op. Oz en Nana zijn herenigd met iedereen die zij al zo lang hebben moeten missen’. De lange man wendt zijn ogen van het vuur af om het contact met de voorouders te verbreken. ‘Elm’, vraagt hij zijn zoogbroeder, ‘Zou jij het nagedachtenisvuur willen ontsteken?’. Elm knikt, pakt een speciaal geprepareerde fakkel en zodra deze brand loopt hij naar de kleine vuurstapel die aan het begin van de weide, net boven de grotten, is gemaakt. Met een laatste blik op zijn moeder en haar vuurpartner steekt hij het vuur aan en blijft even kijken hoe de vlammen om zich heen grijpen. Dan keert hij terug naar het vuur onder het afdak bij Urgh’s hut en begint met het delen van de eerste herinnering. Na Elm neemt de ene na de andere spreker het woord. Verbazingwekkende, ijzingwekkende, spannende, ontroerende maar ook vele komische herinneringen worden gedeeld. De stilte wordt doorbroken door bewonderde kreten en regelmatige lachsalvo’s.

Veel later dan normaal in de herfst zoeken de dorpelingen hun bed op. Elm, Urgh en Tas zijn de laatste drie die bij het vuur overblijven. Voor het eerst zien Elm en Tas net als Urgh zonder voorouder-drank te hebben genomen de mensen in het vuur. Horen de stem van Nana die zegt ‘Bedankt voor de mooie herinneringen. Die gaan ons nog lang levend houden’. Langzaam gaan de twee mensen in het vuur, net als hun lichamen in het andere vuur, in rook op. De drie mensen bij het vuur staan op, klaar om naar bed te gaan. Dan horen zij van ergens ver weg de stem van Oz. ‘En toch is het jammer dat niemand van die jonkies zich het verhaal van de twee wilde zwijnen, de wolf en de jonge Oz kan herinneren… Dat was pas een avontuur’. Zijn woorden worden gevolgd door een steeds zachter klinkend lachsalvo. Een lachsalvo die duidelijk maakte dat die jonkies echt wat gemist hadden.

74_Waar blijven Tak en de anderen?

De eerste dagen na de overgang van Nana en Oz naar de wereld van de voorouders voelen onwennig voor de overige hutbewoners. Met uitzondering van Gaya, die in een ander dorp geboren is, hebben de hutbewoners geen enkele herinnering aan een leven zonder Nana en Oz. Vooral Zan heeft het moeilijk. Ineens is hij de oudste inwoner van het dorp. Dat idee maakt dat hij ineens na gaat denken over zijn eigen sterfelijkheid en de toekomst van zijn vuurpartner Ani en hun zoontje, het eeuwige kind, Zen.

Urgh heeft heel wat anders aan zijn hoofd. De verdeling van de bewoners over de zes hutten is niet evenwichtig en nu Nana en Oz er niet meer zijn is het een natuurlijk moment om de hutindeling aan te passen. Zeker omdat het nog steeds mooi weer is en er heel wat spullen van de ene naar de andere hut versleept moet worden. Na twee dagen de voors en tegens tegen elkaar afgewogen te hebben is hij er uit. Alleen, Tak en zijn vuurpartner en hun kinderen zijn nog steeds niet terug van hun tocht met de drijfboom. Stel dat hij de wijzigingen nu doorvoert en de vijf mensen komen niet terug dan moet hij de indeling weer aanpassen omdat er dan een hut leeg staat.

Een week na het vertrek van Tak en de anderen voelt Urgh ‘s-morgens de koude in de wind. Hij weet dat er een weeromslag aan zit te komen. Hij kan en mag de verhuizing niet langer uitstellen. Die ochtend roept hij de hutbewoners bij elkaar en legt zijn plannen aan hen voor. De bewoners zien het nut van de herindeling van de hutten wel in en al snel is iedereen die een andere hut toebedeeld heeft gekregen druk bezig met inpakken en verhuizen.

Geholpen door Gaya en Pon pakt Tas de spullen van Flik, Moos en haar in om haar intrek te doen in de hut van haar vader. Hun plaats in de hut van Urgh wordt ingenomen door Azel, Yali en Teem waardoor Elm, Marg, Run en Mel hun woonstee alleen nog delen met de schapen. Krom, Pew en de kinderen verhuizen naar de hut van Oz en Nana en Rin, die de laatste jaren voor Oz en Nana heeft gezorgd trekt bij Zan en Ani zodat zij Ani kan helpen met de verzorging van Zen. De enigste hut die buiten de wijzigingen blijft is die van Tak. Hoewel die hut momenteel slechts vier bewoners heeft is de kans groot dat Krap en Zoe daar binnen niet afzienbare tijd verandering in gaan brengen. ‘Als ze terugkomen van hun tocht met de drijfboom’, denkt Urgh maar spreekt deze gedachten niet uit angst dat zijn gedachten daarmee waarheid worden.

Aan het eind van de middag drijft de wind groen-grijze wolken tot boven het huttendorp. Ineens valt het water met bakken uit de hemel. Het lijkt of enorme handen hun best doen om de hutten een voor een uit elkaar te trekken. Het water slaat aan alle kanten onder de huiden door naar binnen.  In het donker zitten de bewoners van de hutten dicht tegen elkaar aan te wachten tot het noodweer stopt voordat het dak boven hun hoofd wegwaait. De ervaring leert dat noodweer wat zo snel komt ook weer snel vertrekt. Het is Azel die de woorden uitspreekt die Urgh slechts durft te denken. ‘Als ze nu op het water zitten overleven Tak en de anderen het niet’.

Zoals verwacht en gehoopt gaat het noodweer al snel over in een normale storm. Ondanks  de nog hevige regen inspecteren Urgh, Azel en Elm gewapend met fakkels bij het krieken van de dag de hutten om de schade op te nemen. Omdat de wind vanaf de landzijde hun dorp heeft getroffen, aan de kant waar de hutten ingegraven zijn in een aarde wal heeft geen van de hutten onherstelbare schade opgelopen. Wel zijn de afdaken van de hutten van Urgh en Elm grotendeels verwoest en is het vuur van Nana en Oz van de rand van de weide verdwenen. Beneden op het strand liggen nog wat verbrandde takken maar dat is alles wat rest van hun herinneringsvuur.

Als door een wonder zijn drie van de vier de drijfbomen de omgekeerd op het strand lagen nog heel. Nummer vier wellicht ook nog maar deze is verdwenen. Het noodweer was zo heftig dat het stroompje wat achter door de grotten loopt aangezwollen is tot een flinke beek waardoor de drie onderste grotten onder water staan. Urgh dankt Gaya voor haar vooruitziende blik. Dankzij haar zijn de voedselvoorraden niet langer opgeborgen in putten in de vloer van de middelste grot maar in de hoger gelegen  nissen van de kleinste grot die het dichts bij de weide ligt.

Halverwege de middag gaat de wind liggen en wordt het eindelijk droog. De herstelwerkzaamheden aan de hutten zijn dan al voltooid. Alleen de afgerukte afdaken moeten nog vervangen worden. Het afdak voor de hut van Zan staat nog. Het kookvuur wordt ontstoken en Ani begint, geholpen door Gaya, Pew en Yali, met het eten terwijl de rest van de bewoners dicht tegen elkaar aan gekropen rondom het vuur zitten. Het onderwerp van gesprek is het lot van de vijf afwezigen. ‘Die leven nog’, beweert Zan heel stellig en verraadt daarna met welke gedachten hij al een week speelt. ‘Tenslotte ben ik de oudste bewoner van het dorp, dus zal ik als eerste gaan’. Stomverbaasd kijken de overige hutbewoners de normaal zo helder denkende jager aan. ‘Euhh’, zegt Tork, ‘Als het zo zou werken, hoe kan het dan dat wij nog in leven zijn terwijl Onna en Joli al zo lang dood zijn’. Zan haalt hulpeloos zijn schouders op. ‘Ik weet het niet Tork, maar zo voel ik het’. Hoofdschuddend kijken de andere bewoners Zan aan maar er valt niet te praten met hem. Het is Tas die de aandacht van Zan afleidt. ‘Urgh’, vraagt zij met tranen in haar stem, ‘Zou jij… zou jij… zou jij in het vuur willen kijken om te zien of Tak en de anderen bij de voorouders zijn?’.

Het wordt stil rond het vuur. Alle ogen zijn op Urgh gericht. Voor hij iets kan zeggen steekt Zen een vingertje op en zegt, met zijn andere handje rondom zijn oor: ‘Oor oor! Fik Fuit. Dijboo spat’. Het wordt bij het vuur zo mogelijk nog stiller dan het al was. Alleen het knetteren van het vuur is nog hoorbar. ‘Volgens mij heeft hij gelijk’, zegt Tork, ‘Dat is een mens die fluit.’ Alsof hij Tork’s woorden kracht bij wil zetten begint Kleintje te janken. Het fluiten klinkt harder, scheller. Dan stopt het geluid abrupt. ‘Snel’ zegt Urgh, ‘Tork, Zan, Krom, Azel, Elm, ga onze vrienden helpen. Ani, por het vuur op. Gaya, maak een verwarmende kruidenthee en Tas, ga droge huiden en kleren halen… Dat zullen ze nodig hebben’.

Voor hij zelf op kan staan om met de mannen mee naar beneden te lopen wordt hem van drie kanten tegelijkertijd een kind in de armen geduwd. Een betere manier om hun dorpswijze te beletten om over de door het vele water spekglad geworden weide te gaan lopen om zelf mee te helpen met een mogelijke reddingsactie is er niet. Er zit voor Urgh niets anders op dan gezeten bij het vuur te wachten op nieuws over hoe het met de vijf hutbewoners gaat.

75_Een wolf, twee wilde zwijnen en de jonge Oz

Niet alleen de mannen zijn naar het strand gelopen, ook een aantal van de vrouwen. Het is Marg die als eerste terug de weide op komt. Snel loopt zij naar de mensen bij het vuur. ‘Ze zijn alle vijf gewond maar leven nog. De mannen duwen de drijfboom via het pad omhoog, zodat de Tak en zijn familie de drijfboom niet uit hoeven’. Na iets wat een eeuwigheid lijkt te duren ziet Urgh de punt van de drijfboom verschijnen. Eenmaal op de weide wordt de drijfboom met hoge snelheid naar het vuur geduwd.

De eerste aanblik van de vijf mensen in de drijfboom is geen leuke. Overal zit bloed en zowel Flik als Krap lijken botbreuken te hebben. De eerste die uit de boot getild wordt is Tak, de oude jager. Hij heeft een flinke hoofdwond maar aan zijn gecommandeer te horen is hij verder in orde. ‘Kijk eerst naar de jongens’, zegt hij tegen de twee medicijnvrouwen, ‘En naar Zoe. Zonder dat meisje waren wij nu allemaal dood geweest’. Zoe schudt haar hoofd. ‘Ik heb wat schrammen’, zegt zij, ‘En ik ben moe van het hele stuk peddelen. Maar verder is er niets met mij aan de hand. Krap heeft een gebroken been, ik denk dat Flik een gebroken arm heeft en Yeti heeft klem gezeten onder een boom en heeft veel pijn’.

Geholpen door Ani, Yali en Marg gaan Pew en Gaya aan de slag. Het is Urgh die het been van Krap zet, net als de arm van Flik. Ondanks dat er een boom op haar is gevallen heeft Yeti niets gebroken al heeft zij wel een gekneusde schouder. Tak’s hoofdwond is groot en diep en zit vol vuil maar na een goed uur zitten de vijf mensen warm aangekleed, verbonden en wel, met een kom eten in hun hand bij het vuur. De overige hutbewoners barsten bijna uit elkaar van nieuwsgierigheid maar Urgh gebaart hen te wachten met vragen stellen totdat de vijf hun maag vol hebben.

‘Met de wind in de rug’, begint Flik na een tijdje te vertellen, ‘Peddelde we in hoog tempo stroomafwaarts. Halverwege de middag waren we al ter hoogte van onze normale kampplaats maar omdat het weer zo lekker was peddelde we nog een paar uur verder. Tegen de avond kwamen we bij een kleine inham in de rivier aan en daar maakt we ons kamp. Het barste er van het wild en aan de struiken en bomen hing heerlijk fruit. We aten onze buik vol en gingen slapen. Wat we de volgende dag hadden moeten doen was terugkeren. Omdat we stroomafwaarts waren gegaan wisten we dat we er meer dan een dag over zouden doen om terug te keren. Maar al het wild en het fruit was zo heerlijk dat we wilde kijken of er nog meer van dit soort inhammen waren zodat we volgend jaar extra voedselzoekfplekken zouden hebben. We waren een paar uur onderweg toen we een vreemd geluid hoorde. Het leek op het gekletter van water.  Zoe peddelde de boot waar zij en Yeti in zaten dicht naar de waterkant en raakte daardoor wat achter maar wij bleven een stuk van de oever af varen. Ineens werd de stroming veel sterker en zagen we allemaal rotsblokken voor ons en daarachter niets. Geen rivier, geen rotsen, niets. In een grote vaart schoten wij tussen de rotsblokken door en gillend vielen wij gedragen door het water naar beneden’.

‘Toen ik de mannen zag verdwijnen’, vervolgt Yeti het verhaal, ‘Wilde ik meteen achter hen aanvaren maar Zoe vond dat geen goed idee dus peddelde wij onze drijfboom naar de oever en trokken haar het strand op. Zoe pakte haar wapens en haar mand en samen liepen we over de oever naar de plek waar de mannen waren verdwenen. Daar zagen wij een muur van water zo hoog als een boom en beneden, na eend am van rotsblokken, ging de rivier wild en onstuimig verder. We zagen Flik die in een soort inham lag, Krap had zich een eind verderop aan een rotsblok vastgeklemd maar Tak en de drijfboom waren verdwenen. Voorzichtig liepen wij over de oever naar beneden waarbij Zoe een pad zocht wat niet te steil was. Eenmaal beneden liep Zoe het water in en trok Flik op de kant ter hoogte van het rotsblok waar Krap zich aan vasthield. Uit haar mand haalde Zoe een lang grastouw en bond een kant om haar middel. Flik en ik moesten de andere kant goed vast houden. Zoe liep het water in en worstelde zich van rotsblok naar rotsblok om Krap te redden. Terwijl ik daarna bij mijn jongens bleef liep Zoe verder langs de oever, op zoek naar Tak’.

‘Ik zat voorin de drijfboom toen we over de rand gingen’, zegt Tak. Daardoor werd ik er niet zoals de jongens, uit geslingerd.  De drijfboom landde half tussen de rotsblokken en brak in tweeën. Het achterste stuk werd meteen door het water gegrepen maar het voorste deel stuiterde richting de oever. Dat was mijn geluk want vlak bij de oever stroomt het water niet zo snel en zo kon ik mijzelf in veiligheid brengen. Ik stond net weer op mijn benen naast de kapotte drijfboom toen Zoe mij vond. Samen liepen we terug naar de andere’.

‘Het was Zoe’s idee om Flik en Krap in de kapotte drijfboom te leggen om hen zo tegen de heling omhoog te duwen omdat  Krap niet kon lopen en Flik zich nergens aan vast kon houden met zijn gebroken arm. Eenmaal terug bij de nog hele drijfboom hebben we daar een kamp gemaakt. We waren allemaal zo moe. De volgende morgen zijn we aan de terugreis begonnen maar het ging maar langzaam. De wind waaide nog steeds stroomafwaarts, de drijfboom was vol geladen en de mannen waren geen van drieën in staat om lang te peddelen en ik ben niet zo goed in peddelen zoals jullie wel weten’. Yeti doet er even het zwijgen toe. ‘Het kwam dus vooral op Zoe’s armen neer om ons thuis te krijgen’.

‘En toen kwam de storm’, zegt Zoe zachtjes. ‘Ik zag hem over land aankomen en we trokken ons terug in een kleine inham, een uurtje varen hier vandaan. Ik dacht dat het een goede plek was. Beschut door de bomen en zo. Tot die ene boom brak en bovenop Yeti viel. Samen met Tak heb ik haar er onder uit gehaald maar daarbij ging Tak’s hoofdwond weer bloeden. Het bleef maar regen en waaien en het werd zo koud, zo koud. Ik dacht dat we daar dood zouden gaan. Echt’. Rillend valt de jonge vrouw stil.

‘Vanmorgen ging die hevige storm liggen’, neemt Tak het woord, ‘En omdat we wisten dat we niet meer zo heel ver van de hutten verwijderd waren zijn we het water weer op gegaan in een poging thuis te komen. Dat is gelukt. Met dank aan Zoe en  een lamme dorpswijze die van mening is dat vrouwen net zo veel van jagen en overleven af moeten weten als mannen’.  Zijn laatste woorden worden met gejuich en geklap begroet en Zoe zit ondanks alles te stralen.  In een poging zijn verlegenheid om de woorden die hij net heeft uitgesproken wat te verdoezelen vraagt hij dan ‘En, is er hier nog iets gebeurt?’

Urgh verteld over de laatste reis van Oz en Nana. Zoals het hoort, zoals dat gaat, voegen de herinneringen van de vijf avonturiers zich bij de herinneringen van de overige hutbewoners. Als laatste is Yeti aan de beurt. ‘Het is geen eigen herinnering’, begint zij, ‘Maar een herinnering aan een herinnering. Aan een verhaal wat mijn vader mij ooit vertelde over een wolf, twee wilde zwijnen en de jonge Oz’. Het wordt zo stil rond het vuur dat alleen het geknetter van de vlammen nog hoorbaar is. Gretig kijken de bewoners Yeti aan. Nu gaan zij eindelijk het verhaal horen….

76_De jonge Oz

Yeti vertelt.

Lang geleden, in de tijd dat Oz jong was, werd een jongen geen jager op basis van zijn leeftijd maar op basis van zijn lengte.

Chagrijnig kijkt Oz zijn speelkameraden Ink en Ergh na die, aan het eind van een extreem strenge winter, voor het eerst mee op jacht mogen. Na een paar dagen mokken neemt Oz een besluit: Hij zal het dorp laten zien dat ook jongens die klein van stuk zijn het in zich hebben om een groot jager te worden.  Die middag gaat hij aan de slag met het verzamelen van de spullen die hij mee wil nemen. Hij sluipt naar de grot waar de oefen-werpspiesen bewaard worden en neemt er twee mee naar de grot die hij met zijn moeder deelt. Daar legt hij de spiesen onder zijn slaaprol. Maar hij ‘regelt’ meer spullen zoals touw, een bijl, een extra mes en wat gedroogd vlees. Dit alles stopt hij in een kleine mand die hij makkelijk kan dragen.

De volgende morgen staat hij net voor de wisseling van de wacht op, kleedt zich warm aan en stopt zijn slaaprol in de mand bij zijn andere spullen. Hij pakt de werpspiesen vertrekt ongezien. Tenminste, dat denkt hij maar Orgh, de dorpswijze, ziet hem weg gaan.

Stevig loopt hij door en zorgt zo voor flink wat afstand tussen het dorp en hemzelf. Rond het middaguur komt hij op een plek aan waar de sporen in de sneeuw spreken van een recent bezoek van wilde zwijnen. Al snel is Oz in de weer met twee stokken, een stuk touw en een jonge, buigzame boom. Het is nog licht als zijn val klaar is. Oz verstopt zich met de werpspiesen in de hand achter een aantal struiken om de val in de gaten te houden maar niet voordat hij zijn mand met slaaprol en eten onder de laaghangende takken van een den heeft geschoven..

Hoewel hij geluiden hoort die er op wijzen dat de zwijnen nog steeds in de buurt zijn ziet hij er geen. De middag gaat over in de avond en hoewel de sterren en de maan behoorlijk wat licht geven heeft Oz het zo koud dat hij niets liever wil dan in zijn slaaprol kruipen, wat eten en gaan slapen.  Voorzichtig, om geen sneeuw los te schudden, duwt hij de takken aan de kant en kruipt naar binnen. Hij wordt door een zacht gegrom begroet en ziet twee groene ogen oplichten. Voorzichtig, met zijn ogen strak op de eigenaar van de groene ogen gericht, kruipt Oz achteruit onder de takken vandaan. Het grommen komt dichterbij en eenmaal onder de takken vandaan ziet Oz bij het licht van de volle maan een oude, uitgemergelde wolf met ontbloten tanden op hem afkomen. Met de werpspiesen stevig in zijn hand loopt Oz langzaam achteruit, richting de struiken achter hem. Zijn hart klopt in zijn keel en in afwachting van de aanval zijn zijn ogen op de wolf gericht.

Ineens draait de wolf zich om een rent jankend weg. ‘Het moge duidelijk zijn’, zegt Oz tevreden tegen zichzelf, ‘Dat ik een groot jager ben. Wolven slaan voor mij op de vlucht. Dan hoort hij een geknor achter zich, hoort takken breken. Hij draait zich om en ziet een kleine zeug zijn kant op rennen. Met een flinke zwaai brengt Oz zijn werparm met spies naar achter en gooit deze naar de kleine zeug. Hij mist de zeug op een haar na. Hij pakt zijn tweede spies en dan valt zijn oog op de enorme beer met slagtanden zo lang als zijn onderarm die achter de zeug aanrent.

Van pure schrik laat hij de tweede spies vallen en rent naar de den, klimt omhoog. Oz is snel maar niet snel genoeg en een van de slagtanden schampt zijn rechterbeen. Ondanks de pijn aan zijn been klimt Oz hoger en hoger. De twee zwijnen verdwijnen onder de takken en even later hoort Oz een scheurend geluid als de zwijnen waarschijnlijk zijn slaaprol aan stukken trekken.

Hoog verscholen in de dennenboom wordt het een lange, koude en slapeloze nacht voor Oz. Het begint al licht te worden als hij de boom die hij gebruikt heeft bij het maken van zijn val omhoog zwiept. Er is een beest in zijn val gestapt. Ondanks alles voelt Oz zijn hart opzwellen van trots. Hij heeft een dier gevangen. Nu is hij een echte jager.

Met het verstrijken der uren neemt zijn trots steeds verder af en veranderd in wanhoop. De zeug en de beer blijven rondom de boom scharrelen waardoor Oz geen kans ziet uit de boom te komen om zijn buit los te snijden en terug naar het dorp te gaan. Het begint al te schemeren wanneer hij iemand hoort fluiten. Blij beantwoordt hij het gefluit en voegt de tonen voor ‘gevaar’ toe. De zwijnen onder zijn boom horen de nieuwkomer ook en rennen op het geluid af. ‘Er komen twee zwijnen op je af’, gilt Oz vanuit zijn schuilplek. Niemand geeft Oz antwoord. Wat hij wel hoort zijn de doodskreten van de beide zwijnen’. ‘Er zit hier ook nog een wolf!’, roept hij zo hard hij kan. Dan ziet hij Zark en dorpswijze Orgh verschijnen. Dankbaar laat hij zich ut de den zakken, pakt zijn werpspiesen en kruipt de den in om de nog bruikbare spullen te pakken. Het vlees is weg en de slaaprol en mand zijn verscheurd maar zijn mes en bijl liggen er nog.

Terwijl Orgh Oz de oren wast over zijn onverantwoordelijke gedrag bindt Zark van beide dieren de achterpoten bij elkaar. ‘Voorlopig ga jij nog niet met de jagers mee’, eindigt Orgh zijn tirade, ‘Daar ben je nog niet volwassen genoeg voor’. ‘Maar ik ben al een jager’, antwoord Oz, ‘Er is vannacht een dier in mijn val gelopen’. Gedrieën lopen ze naar het boompje wat de  basis van de val van Oz was. Tot groot chagrijn van Oz is de strik leeg. ‘Ik denk’, zegt Zark met een grote grijns, ‘Dat je nog wat lessen ‘vallen bouwen’ moet volgen Oz want als ik de sporen goed lees dan heeft een egel de val laten springen’.

De hutbewoners barsten in het lachen uit om de vangst van Oz en Yeti moet bijna schreeuwen om haar laatste woorden verstaanbaar te maken.

Het duurt een aantal maanden en een flinke groeispurt maar wanneer tijdens zijn eerste officiële jachtpartij het verhaal van Oz, de wolf en de twee wilde zwijnen wordt verteld kan ook hij er om lachen.

Het gelach wat uit het vuur lijkt te komen leert de hutbewoners dat Oz dat na al die jaren nog steeds kan.

77_Op weg naar het Oosten

Het stormachtige weer houdt een aantal dagen aan alvorens over te gaan in echt winters weer met veel sneeuw en grijze wolken waardoor de korter wordende dagen nog korter lijken. Door het verlies van twee drijfbomen hoeven Urgh en Azel zich tijdens die korte momenten met licht niet te vervelen. Beide mannen krijgen met enige regelmaat hulp van de jagers en Elm.

De eerste paar dagen probeert Urgh het gesprek regelmatig richting ‘de muur van water’ te sturen maar Tak en zijn zonen zijn steeds minder genegen te praten over het natuurgeweld wat hen bijna het leven heeft gekost en uiteindelijk geeft Urgh het op al  blijven zijn vragen over de muur van water en het landschap voorbij deze muur door zijn hoofd spoken. Gaya, die haar vuurpartner door en door kent vraagt op een dag wanneer Tak en zijn zonen met de kinderen naar het oefenveldje zijn aan Yeti en Zoe of zij haar willen komen helpen met het bereiden van een paar kruidendrankjes. De beide dames zijn meer dan de mannen genegen de vragen van Urgh te beantwoorden. Het probleem is en echter, zoals Yeti het zegt, ‘Dat er geen woorden bestaan om die muur van water te beschrijven. Die moet je zien’. Over het landschap is Zoe kort ‘Vruchtbaar en ik zag tekenen van mensen’.

Dit antwoord maakt dat Urgh’s verlangen om deze plek zelf te zien alleen maar groter wordt. Daarnaast dringt het besef tot hem door dat hij al heel lang niets meer van of over de buurstammen heeft gehoord en kan hij zich nauwelijks de laatste Grote stambijeenkomst herinneren. Wanneer hij Elm hier naar vraagt krijgt deze een kleur. ‘Een van de reden waarom wij nog slechts een kant op gingen om te jagen was om contact met andere stammen te vermijden’, zegt hij dan. ‘Ik was bang dat de andere stammen door zouden krijgen wat een zwakke dorpswijze ik was en ons grondgebied zouden komen inpikken. Dat was ook de reden waarom wij niet meer naar de Grote sta,bijeenkomst gingen. Wat als er iets zou gebeuren met hen die gingen, wat als er iets zou gebeuren met hen die thuis bleven’. Elm zucht even. ‘Stom natuurlijk, maar zoals je weet was ik mijzelf niet tijdens mijn dorpswijze-schap’. Hij lacht even schaapachtig. Urgh grinnikt even naar zijn zoogbroeder al ziet hij zijn wens om in het voorjaar de muur van water te gaan bekijken in rook opgaan. Het contact herstellen met de buurstammen, voor zover die nog in leven zijn, heeft voorrang. Al heeft hij vage hoop dat een of meerdere van de oudere jagers het contact nooit helemaal verbroken heeft.

Die avond, tijdens de maaltijd, maakt Urgh de overige hutbewoners deelgenoot van zijn gedachtengang. Van zijn wens om de  muur van water met eigen ogen te zien en om de mensen te ontmoeten waarvan Zoe de sporen heeft gezien. Van het besef dat het contact met de buren vanuit dorpswijze oogpunt verwaterd is. Dan stelt hij de vraag of er nog mensen zijn die contact hebben met iemand van de buurstammen. Iedereen schudt van nee. ‘Vroeger ging ik eenmaal per zomer naar het dorp van Slik’, zegt Tak, ‘Maar sinds mijn zus en haar vuurpartner zijn overleden, zo rond de tijd dat Elm onze dorpswijze werd, had ik er niets meer te zoeken’. Verwachtingsvol kijkt Urgh Zan en Tork aan maar beide jagers schudden van nee. ‘Misschien zijn ze zelfs wel niet meer in leven’, zegt Tork. ‘Als ze daar net zo’n ziekte hebben gehad als wij en daarna het schudden van de aarde..’.  Hij schudt zijn hoofd. Urgh, die zelf ook met de optie rekening heeft gehouden dat de buurdorpen wellicht hetzelfde lot hebben ondergaan als hun oude dorp knikt. ‘Daar heb ik ook al aan gedacht’, zegt hij dan. ‘Ik denk dat we, zodra het voorjaar wordt, maar eens moeten gaan kijken of de dorpen nog bestaan en het contact gaan herstellen’. De overige hutbewoners mompelen instemmend.

Met het verstrijken der dagen wordt de winter opgevolgd door het voorjaar. Langzaam smelt de sneeuw weg en laat op sommige plekken een grote modderpoel achter. Urgh maakt van een van de grote modderplekken gebruik om, samen met de jagers,  een kaart van de huidige en oude omgeving te teken. De rivier waar ze nu aan wonen, het pad naar het oude dorp, de plaats van het dorp van Slik drie dagen lopen richting de bergen  daar waar de zon ondergaat en het dorp van Pel, vijf dagen lopen richting de bossen waar de zon opkomt.

Langzaam droogt ook de modderplek met de kaart en ontspruiten de eerste zaden. Het is tijd om het contact met de buren te herstellen. Tijdens de maaltijd, ongeveer een halve maan voor de lentewende wijst Urgh de deelnemers van deze misse aan. De volgende ochtend vroeg vertrekken Tak, Zan, Elm en Marg met de zon in de rug naar het nu bedolven dorp om van daaruit het pad naar het buurdorp te volgen. De overige bewoners zwaaien hen uit. Zodra de vier mensen tussen de bomen zijn verdwenen gaat iedereen over tot de orde van de dag. Alleen Urgh staart in gedachten verzonken nog even in de verte en vraagt zich af wat er komen gaat. Wat deze vier mensen gaan vinden, wie deze vier mensen gaan vinden. Dan wordt zijn gedachtengang verstoord door een handje wat over de zijne glijdt en een stemmetje wat vraagt ‘Jurg oef singel met Sen?’ Snel schudt hij zijn sombere gedachten van zich af en zegt lachend: ‘Ja Zen, na het eten gaan wij samen met de andere kinderen oefenen met de slinger’.

78_Ongemakkelijk gesprek

De vier mensen lopen stevig door en ruim voor de zon op haar hoogtepunt is bereiken zij de ingang naar hun voormalig dorp. De twee jagers en Marg zijn na het schudden van de aarde terug geweest in het dorp en hebben de verwoesting met eigen ogen gezien. Voor Elm is het de eerste keer dat hij terug keert naar de plek waar hij ooit de scepter zwaaide, waar hij dorpswijze was. De plek waar hij met lede ogen moest toezien hoe veel van zijn dorpsgenoten ziek werden en stierven. Ondertussen weet hij dat wanneer zijn mensen door de honger niet zo verzwakt waren dat veel meer van hen de ziekte hadden overleefd. Hij weet ook, door goed te kijken hoe Urgh het huttendorp leidt, dat zijn gebrekkige kennis van de jacht en zijn idee dat hij alle beslissingen diende te nemen mede debet zijn geweest aan de honger in het dorp.

Dan lopen de vier mensen via de doorgang tussen de rotsen het dorp binnen. Het hele dorp oogt groenen dan Elm zich kan herinneren. Geschokt kijkt hij naar de verschillende grotten. Die van hem is afgesloten door een groot rotsblok. Zelfs al had hij daar nog een maal naar binnen willen gaan was dat niet mogelijk. Dan valt zijn oog op de twee grote brandstapels die Urgh en zijn mensen gemaakt hebben om alle doden te verbranden en die nu ook overgroeid zijn met gras en bloemen. De omvang van de ramp dringt nu pas tot hem door. Een gesmoorde snik ontsnapt zijn keel. Met hese stem zegt hij, ‘Al die doden… door mij. Dit is mijn schuld’. Zijn drie reisgezellen staan iets achter hem, zien en horen hoe de aanblik van het oude dorp hun voormalig dorpswijze aangrijpt. Marg loopt op haar vuurpartner af, slaat haar armen om hem heen. Zij voelt zijn verdriet, zijn wanhoop, zijn schuld maar weet niet wat te zeggen.

Het is Tak die, praktisch als altijd, als eerste wat zegt. ‘Ik stel voor dat we doorlopen. Hier wordt niemand vrolijk van en we hebben nog een lange weg te gaan’. Zonder een antwoord af te wachten loopt hij over de open plek, vlak langs de ene bedolven brandstapel, recht naar het pad het dorp uit. De andere volgen hem gedwee. Een uur later, bij een open plek in het bos, geeft Tak een stopteken. Een kleine vuurplaats en een stapel brandhout vlak naast een bergstroompje verraadt dat hier vaker mensen komen. Tak heeft zo een vuurtje branden en Marg vult een kom water voor kruidenthee. Het is Tak die als eerste begint te praten. ‘Het is niet jouw schuld jongen’, zegt hij dan. ‘Het is de schuld van ons allemaal. Jouw vader maakte ook fouten, stuurde ons ook de verkeerde kant op om te gaan jagen maar hoofdjagers zoals Ink en Zark, later Tork en Urgh, die wisten wel beter en leidde ons naar de juiste plek, ongeacht wat jullie zeiden. Dat stopte nadat jij tot tijdelijke dorpswijze was gekozen door de voorouders. Deels daar wij gedacht hadden, gehoopt hadden dat Tork als hoofdjager de leiding zou krijgen. Deels door het ongeluk van Urgh op een plek waar jij ons niet naar toe gestuurd had. Urgh, jouw zoogbroeder. Volgens Murw en Vil een teken van de voorouders dat wij naar jou moesten gaan luisteren en niet meer moesten doen wat wij altijd deden. Nou ja, je weet waar dat toe heeft geleidt. Dus nee Elm, je mag dan niet de wijste dorpswijze zijn geweest die we ooit hebben gehad, de honger en de ziekte is niet jouw schuld.’ Met zijn ogen op het vuur gericht neemt Tak een grote slok thee.

‘Tak heeft gelijk’, bromt Zan. ‘Jij mag dan de dorpswijze zijn geweest, wij hadden en hebben allemaal een taak te vervullen en dat hebben we niet goed gedaan. Pas toen Urgh ons er op wees hebben wij onze taak weer opgepakt. Maar voor vele was dat te laat. Die waren niet meer gewend om zelf na te denken, zelf beslissingen te nemen. Denk jij dat er in het huttendorp ook maar iemand woont die dat rotte vossenkarkas tot eten zou verwerken omdat de dorpswijze opdracht geeft om eten klaar te maken. Nee dus. De vreemde geest die jou gedeeltelijk had overgenomen, had nog veel meer mensen in zijn macht, waaronder Tork en je vader. Vergeet dat niet Elm’.

‘Dat mag allemaal wel zo zijn’, fluisterde Elm, ‘Maar ik had die vreemde geest moeten herkennen en moeten wegsturen, zoals Urgh dat heeft gedaan, zoals jullie dat hebben gedaan. Maar ik deed het niet. Ik luisterde naar de geest en vond dat hij slim was. Dacht dat ik slim was.’ Hij slaat zijn handen voor zijn ogen. ‘Nee vuurpartner van me. Jij hebt je nooit helemaal over gegeven aan de geest. Jij bent tegen de geest blijven vechten’, stelt Marg. ‘Tegen de wil van de geest in heb jij het goed gevonden dat Urgh de jonge meisjes met wapens leerde omgaan. Tegen de wil van de geest in heb jij het goed gevonden dat Urgh eerst een paar dagen naar de rivier trok en later dat hij met een aantal bewoners naar de grotten ging. Tegen de wil van de geest in heb jij niet Murw maar Tork met Pew en mij de winternacht in gestuurd waardoor wij bij de grotten van Urgh terecht zijn gekomen. Dat er überhaupt nog mensen waren om de laatste overlevenden van het dorp voor het schudden van de aarde uit het dorp weg te leiden komt doordat jij tegen de geest bent blijven vechten’.

‘Toch ben ik schuldig’, zegt Elm koppig. ‘Dat ben je ook, vuurpartner van mij’, antwoord Marg hem, ‘Maar wij zijn allemaal net zo schuldig. Vergeet dat niet’. Tak schudt tevreden met zijn hoofd. ‘Zo is het Elm, en niet anders. Drink nu allemaal je thee op, dan kunnen we verder reizen. Ik wil vannacht het kamp opslaan bij de schuildennenstrook’.

Gedwee drinkt iedereen de thee op. De kommen worden opgeborgen en de reis hervat. In ganzenpas lopen de vier mensen verder naar het Oosten, op zoek naar het dorp van Slik.

79_Leden van de Vroegere stam

Het is al schemerig wanneer de vier mensen aan het eind van de derde dag hun kamp opslaan. De stemming is somber. Zelfs de twee niet-jagers weten wat de afwezigheid van recente menselijke sporen en de grote hoeveelheid wild wil zeggen. De kans dat er in het dorp van Slik nog mensen wonen is klein. Die avond voegt Marg, uit voorzorg voor wat er komen gaat, een grote hand koningskaars en citroenmelisse toe aan de kruidenthee. Elm en Zan herkennen de geur van het medicijn tegen de ziekte waar zo velen van hun dorpsgenoten aan gestorven zijn. ‘Denk jij..?’. ‘Ik weet het niet’, beantwoord Marg de afgekapte vraag van Zan. ‘Net zo mij als Gaya of Pew. Maar Gaya heeft mij uit voorzorg extra veel van beide kruiden meegegeven voor het geval dat..’.

De volgende ochtend eten de vier in alle vroegte de resten van de stoofpot van de avond er voor op, drinken een kom kruidenthee en beginnen aan het laatste deel van de weg naar het dorp van Slik. Tak en Zan lopen regelmatig van het pad af op zoek naar sporen van mensen maar vinden niets. Halverwege de ochtend is het Tak die de berg die boven het dorp van Slik uittorent ziet. Hij geeft een stopteken. ‘Daar aan de voet van de berg, ligt het dorp’, wijst hij. Je kunt het nu nog niet zien door die bomen die daar staan’. Hij wijst iets naar links. ‘Het pad naar het dorp loopt tussen die bomen door. Daar is ook een kleine kampplaats met een bron. Ik stel voor dat Zan en ik stoppen met het zoeken naar sporen van mensen die er niet lijken te zijn en daar recht naar toe lopen om te rusten en wat te drinken voordat we aan het laatste deel van de tocht beginnen’. De andere knikken instemmend.

Wanneer de kleine kampplaats in beeld komt springt het hart van Marg over. Op de stenen rondom de vuurplaats staat een kom en er lijkt iemand tegen een lage rots te leunen. Ze ziet wat bewegen. Marg verhoogt haar tempo, loopt voor de mannen uit, op weg naar de eerste mens die ze in vier dagen hebben gezien. Ineens realiseert zij zich dat er geen vuur brandt in de vuurplaats en de beweging veroorzaakt wordt door een hyena. ‘We zijn te laat’, roept Tak van achter haar, ‘Hij is dood’. Maar Marg ziet hoe de figuur tegen de rots een zwakke poging doet om de hyena af te weren. ‘Hij leeft nog’, roept zij en begint met een vloeiende beweging de slinger en steen die zij al die tijd in haar hand heeft gehouden rond te draaien. Haar eerste steen treft doel en wordt al snel gevolgd door een steen uit de slinger van Elm en een tweede steen uit haar slinger. De hyena loopt bij zijn prooi vandaan maar niet ver en snel genoeg. Hij wordt gespiest door een werpspies van Zan. De werpspies van Tak raakt een tweede hyena. Dan zijn de vier mensen in het kamp. Er lopen nog een paar hyena’s om de lichamen die er liggen heen. Ze worden alle door de vier mensen verjaagd.

Dan pas hebben de hutbewoners de tijd om naar de bewoners van de kleine kampplaats te kijken. Zien de kleine, gedrongen, stevige lichamen, de vooruitstekende kaak, de afwezigheid van nek, de zware beharing in gezicht en op de zichtbare ledenmaten, de vooruitstekende wenkbrauwen. ‘Wat zijn dit?’, vraagt Marg aan haar vuurpartner. Elm aarzelt even. Voor hij kan antwoorden zegt Zan ‘Dit zijn mensen Marg. Nazaten van de Vroegere stammen. De stammen die vroeger, toen wij nog met weinige waren, met vele waren’. Elm kijkt de jager verbaasd aan. ‘Hoe weet jij dat Zan?’, vraagt hij. ‘Ik ken mijn bloedlijn’, is het antwoord. ‘De vader van de vader van Zark had en vrouw van de Vroegere stammen als vuurpartner’. ‘Waarom zeggen ze niets?’, fluistert Marg, ‘Waarom kijken ze alleen maar?’. ‘Ze hebben geen stem’, is het verrassende antwoord van Tak. ‘Deze mensen praten met hun handen’. De oude jager knielt bij de man tegen de rots neer en begint met zijn vingers te bewegen. De man bij de rots geeft antwoord en weer beweegt Tak met zijn handen. ‘Tak heeft hem gevraagd of er nog meer mensen in de buurt zijn en de man heeft nee gezegd’, vertaalt Zan het gesprek. ‘Na het trillen van de aarde zijn de overlevenden van hun stam gaan rondtrekken, net als ze vroeger deden. Tijdens de grote herfststormen hebben ze onderdak gezocht in een dorp aan de rivier, vlak bij een muur van water. Met de komst van de lente is deze man, samen met drie vrouwen waarvan er een hoog zwanger was, verder getrokken. Drie dagen geleden zijn zij hier terecht gekomen. Toen zij de lijken zagen liggen wilde zij meteen verder trekken maar de baby kwam. Daarom zijn ze gebleven en hebben de lijken verplaatst. Waarschijnlijk zijn ze daardoor ziek geworden’. De handen van Tak en de man vallen stil, de stem van Zan ook. Een kleine bundel huiden die vlak bij een van de vrouwen ligt begint te bewegen, maakt geluid. De baby weet Marg. Haar borsten schieten vol melk en meteen valt alle twijfel van haar af.

‘Elm, zorg voor hout en maak een vuur in de vuurplaats. Vul dan de drie grootste kommen die we bij ons hebben met water. Eentje voor kruidenthee, eentje voor soep en eentje om de mensen mee te wassen. Tak of Zan, een van jullie gaat jagen, de ander blijft hier om met de mensen te praten zodat ze weten wat we gaan doen’. Zonder de reacties van de mannen af te wachten loopt zijn naar de kleine bundel toe en knielt op de grond. Ze pakt het pakketje op, schuift haar tuniek omhoog en legt het kleine wezentje aan. De baby heeft even moeite maar Marg heeft vaker met het bijltje gehakt en al snel weet het kleintje wat hij moet doen en nog sneller zit zijn buikje vol. Zodra het water in de grote kom lauwwarm is wordt eerst de baby en daarna de moeder door Marg gewassen en in de slaaprol van Marg gelegd. Dan is de volgende vrouw aan de beurt. Wanneer Elm zijn vuurpartner wil komen helpen voelt Marg het uitgemergelde lichaam van de kleine vrouw verstijven. Met een handgebaar stuurt Marg haar vuurpartner weg. ‘Ga jij de man maar helpen’, zegt zij, terwijl zij de kleine vrouw in de slaaprol van Tak helpt. Elm knielt bij de man daarbij diens zicht op de drie vrouwen blokkerend. Wild duwt de man Elm aan de kant. Elm kijkt hem even peinzend aan en zegt dan, ‘Je trekt niet net na de winter met een hoogzwangere vrouw door onbekend terrein als daar geen reden voor is. Ik denk dat jullie zijn gevlucht’. Even kijkt de man hem recht in zijn gezicht en slaat dan zijn ogen neer. De drie middelste vingers van zijn rechterhand bewegen tweemaal op en neer. ‘Hij zegt ja’, vertaalt Tak het gebaar. ‘Worden jullie achtervolgt?’, vraagt Elm. De man maakt hetzelfde gebaar, gevolgd door een groot aantal andere. ‘Eerst wel’,  vertaalt Tak, ‘Maar nadat ze vier van de jonge vrouwen weer hadden gevangen hebben ze de achtervolging gestaakt’. Elm knikt en wendt zich nogmaals tot de man. ‘Wij zijn niet zoals die andere mannen, zoals die andere stam. We zullen jullie verzorgen totdat jullie weer in staat zijn om te reizen. Daarna zou ik het fijn vinden wanneer je met ons mee komt naar ons dorp. Ik denk dat onze dorpswijze jullie verhaal graag wil horen. Maar willen jullie dat niet, willen je verder trekken, dan is dat ook goed’. De verzwakte man kijkt argwanend naar Elm wanneer Elm dit zegt.

Marg reikt Elm een kom kruidenthee aan. Elm brengt de kom naar de lippen van de man. De man weigert te drinken en wendt zijn hoofd af. Met een zucht neemt Elm een grote slok uit de kom en brengt hem dan nogmaals naar de lippen van de man. ‘Drink dit, dit helpt je om de ziekte te overwinnen’. Dit keer neemt de man wel een slokje.

Wanneer Zan met een flinke buit aan wild en groenten terugkomt liggen de vier leden van de Vroegere stam schoon gewassen in de slaaprollen van het reisgezelschap te slapen, zit Elm bij de kookpotten, legt Marg de laatste hand aan het wassen van de kledij van de Vroegere stam leden en staat Tak op wacht. ‘Want’, had Elm gezegd, ‘Het zou zo maar kunnen dat die dorpelingen hun jacht op de vluchtelingen nog niet volledig hebben gestaakt.

80_Kennismaking

De nacht verstrijkt zonder ongewenst bezoek. De goede zorgen van Marg in combinatie met een nacht slapen in een warme rol hebben de leden van de Vroegere Stam goed gedaan. Hoewel zij alle vier nog ziek zijn is de koorts gezakt. ‘Ik denk dat de ziekte niet meer zo sterk is als zij vroeger was’, zegt Marg tegen Elm. ‘Als deze mensen niet zo verzwakt waren door de winter die zij in gevangenschap hebben doorgebracht waren ze denk ik niet eens ziek geworden’. Elm knikt instemmend en helpt Marg kommen thee te vullen en deelt deze uit. De man neemt de kom nu meteen aan, de vrouwen aarzelen nog.

Halverwege de ochtend gaat Tak op verzoek van Marg jagen. ‘Kijk ook of je knollen en wortels ziet’, zegt zij, tot grote verbazing van de leden van de Vroegere Stam. ‘Nu we met meer zijn ben ik zo door de voorraden heen en het is juist voor hen van belang dat zij goed eten. Alleen niet te veel vlees ineens. Daar kunnen hun ingewanden niet tegen’. Tak knikt en vertrekt. De handen van de man beginnen te bewegen. ‘Nee’, antwoord Zan, ‘Marg is geen medicijnvrouw en ook niet de leider van de stam. Maar op dit moment is zij diegene die het beste weet wat we moeten doen om jullie zo snel mogelijk weer gezond te krijgen’. Met half dichtgeknepen ogen overdenkt de man het antwoord en knikt dan dat hij het begrijpt. Weer beweegt hij zijn handen. ‘Vind ik ook’, zegt Zan. ‘Wat vindt jij ook?’, vraagt Elm. Tegelijkertijd vraagt Marg ‘Zan, kan jij Elm en mij de handentaal leren? Dit praat zo ongemakkelijk’. Zan krabt eens achter zijn oor. ‘Ik kan het proberen. Waar wil je beginnen’.

Marg denkt even na. ‘Hoe vraag ik naar hun naam’, zegt zij dan. ‘Niet’, antwoord Zan. Marg kijkt hem verbaasd aan. ‘Hebben zij dan geen naam?’. ‘Jawel’, zegt Zan, ‘Maar binnen de Vroegere Stammen is vragen naar een naam niet netjes. Die geven zij pas nadat jij je voorgesteld hebt en alleen wanneer ze je vertrouwen’. Marg kijkt naar de man van de Vroegere Stam en zegt ‘Mijn naam is Marg’. De man knikt. Hij maakt een handgebaar en zegt dan ‘M’rg’. Verbaasd kijkt Marg de man aan. ‘Zan, Tak zei dat zij geen stem hebben, maar volgens mij zei hij net Marg’. Zan knikt grijnzend. ‘Omdat zij met hun handen praten worden zij ‘de stemloze’ genoemd maar zij kunnen wel geluid maken en als zij het echt willen kunnen zij ook praten al hebben zij moeite met bepaalde klanken’. Weer maakt de man het handgebaar en zegt ‘M’rg’. ‘Wat zeggen zijn handen?’, vraagt Marg. ‘Hetzelfde als zijn stem’, is het antwoord van Zan. ‘Dat gebaar betekent Marg’. ‘Mijn’, en hierbij wijst Marg naar zichzelf, ‘naam is Marg’. Terwijl zij haar naam uitspreekt maakt zij hetzelfde handgebaar als de man net heeft gemaakt. Hij glimlacht naar haar, wijst dan op zichzelf en maakt een handgebaar en zegt ‘K’wan’. Marg herhaalt zowel het gebaar als de klank. ‘Welkom K’wan’, zegt zij. De man knikt.

Dan stellen Elm en Zan zich aan de man voor. Ook zij krijgen antwoord. Dan wendt Marg zich tot de drie vrouwen, de jonge moeder als eerst. In woord en gebaar stelt Marg zich voor. Even aarzelt de vrouw maar wijst dan op zichzelf en maakt een handgebaar. Dan wijst zij op haar kind en maakt nog een handgebaar. Marg kijkt K’wn vragend aan. Hij wijs op de moeder en zegt ‘C’roo’. Dan gaat zijn vinger richting de baby en zegt ‘K’nd’. ‘Kind’, vraagt Marg verbaasd. ‘Kinderen van de Vroegere Stammen krijgen pas hun echte naam na het doorlopen van de rite van volwassenheid’, licht Zan toe. Marg knikt, wendt zich tot de vrouw en zegt in woord en gebaar ‘Welkom C’roo en K’nd’. Het gezicht van C’roo licht op. Marg stelt zich aan de twee andere vrouwen voor. Een van de vrouwen is van C’roo’s leeftijd, de andere een stuk ouder. T’raa maakt alleen een handgebaar maar M’naa zegt haar naam zelf. En niet alleen dat. Met handgebaren, geluid en wijzen vertelt zij Marg nog meer. ‘Jij’, en hierbij wijst Marg naar de M’naa, ‘Bent de moeder van C’roo’, vertaald Marg de zin. M’naa knikt.

Dan stellen de twee mannen zich aan de vrouwen voor. Even lijkt het er op dat zij geen antwoord gaan krijgen maar dan zegt M’naa haar naam. Nu haar moeder het goede voorbeeld heeft gegeven durft ook C’roo haar naam te noemen. Alleen T’raa zegt niets en blijft stug naar de grond kijken. De twee mannen dringen niet aan en Zan gaat verder met de les die alleen onderbroken wordt voor meer thee, groentebouillon en de terugkeer van Tak. De oude jager zet zijn met knollen gevulde mand bij Marg neer en legt zes konijnen bij het vuur. ‘Jagen is hier kinderlijk eenvoudig’, zegt hij alvorens een kom groentebouillon te pakken. Dan is het zijn beurt om zich voor te stellen. Ook Tak krijgt geen antwoord van T’raa en ook hij dringt, tot grote tevredenheid van K’wan  niet aan.

Met elk woord wat Elm en Marg leren wordt communiceren makkelijker. Al snel hebben zij de hulp van Tak en Zan niet meer nodig om een soort van gesprek te voeren met de leden van de Vroegere Stam. Aan het eind van de vierde dag hebben alle vier de leden van de Vroegere Stam hun slaaprol verlaten en zitten samen met de bewoners van het huttendorp rond het vuur. Na het eten schept Elm kommen thee in en deelt deze uit. Dit keer neemt ook T’raa de kom aan. ‘T’raa’, zegt zij en wijst op zichzelf. ‘Mijn naam is T’raa’. ‘Welkom T’raa’, reageert Elm.

Het is Marg die aan het einde van dag zes aangeeft dat de leden van de Vroegere Stam fit genoeg zijn om te reizen. ‘Mits we het tempo niet te hoog leggen voor C’roo. Het was een zware bevalling en zij verliest nog steeds bloed. Ik wil dat Gaya zich zo snel mogelijk over haar ontfermt’. Elm knikt. ‘Dan vertrekken we morgenochtend meteen na de thee’, beslist hij. De jagers maar ook K’wan knikken instemmend. De wacht wordt verdeeld en al snel is het stil in het kamp. Een stilte die alleen zo af en toe verbroken wordt door kreetjes van de immer hongerige K’nd en het wisselen van de wacht.

© Rianne, mei – augustus 2015

Advertenties