Lamme Urgh

Boek van Urgh_092: De vondst van Kleintje

cropped-urgh2Het loopt al tegen middernacht wanneer Urgh al geeuwend de lenteviering met de woorden ‘Het is tijd om naar bed te gaan. Zan, jij neemt de eerst wacht, Tork de tweede en Krom de derde. Het verdelen van de taken doe ik morgenochtend wel’, sluit. Samen met Gaya, die een slapende Klee in haar armen heeft, loopt hij naar hun hut. Zij worden op de voet gevolgd door Azel, Teem en Yali. Het is nog even onrustig wanneer de rest van de hutbewoners hun hutten en groten opzoekt maar al snel verkeert het dorp in diepe rust. Alleen K’wan heeft zijn slaaprol nog niet opgezocht. De gebeurtenissen van de laatste paar dagen tuimelen door zijn hoofd en maken hem het slapen onmogelijk. Met zijn rug leunend tegen een steun houdt hij Zan tijdens diens eerst wacht gezelschap. Het is voor hem te donker om te praten. In de stilte van de nacht klinkt het geknisper van het kleine wachtvuur luidt. Zo af en toe horen ze het geritsel van een klein nachtdier vanuit de struiken, het geluid van een uil hoog in de bomen.

Tegen het eind van Zan’s wacht horen beide mannen weer geritsel vanuit het struikgewas. Dit keer klinkt het als iets groters dan een konijn of egel. Snel staat Zan op, met zijn werpspies stevig in de hand geklemd. Ook K’wan is opgestaan en heeft zijn slinger in de hand. Dan wijkt het struikgewas en zien zij Kleintje verschijnen. Beide mannen halen opgelucht adem. Wanneer Kleintje dichter bij het vuur komt zien zij dat hij iets in zijn bek heeft. Het is een kleine wolvenwelp. Kleintje legt het kleine wezentje bij de voeten van K’wan neer. Het welpje piept zachter. ‘Die is kleiner dan Kleintje was toen Urgh hem vond’, zegt Zan zachtjes. ‘Ik ga Urgh en Gaya halen’. Kleintje heeft zich al weer omgedraaid en is weer in het struikgewas verdwenen. K’wan is alleen met het kleine wezentje. Hij laat zich weer op de grond zakken en pakt het kleine beestje voorzichtig op. Hij voelt het hartje te keer gaan. De oogjes van het beestje zitten nog dicht. Zijn handen strelen het kleine lijfje zachtjes. K’wan kruipt naar de kom met het laatste beetje stoofpot die door Gaya langs het vuur is gezet. Hij pakt een kleine kom en schept wat stoofpot in de kom. Met zijn vinger voelt hij hoe warm het eten nog is. Koud. Hij houdt zijn vinger voor de bekje van het welpje. Het beestje steekt zijn neusje in de lucht maar daar blijft het bij. ‘Je moet je vinger tegen zijn bekje aanhouden’, zegt Urgh zachtjes, ‘Anders weet hij je vinger met het eten niet te vinden’. K’wan doet wat Urgh zegt en voelt hoe het tongetje van het kleine beestje zijn vinger beroert. Als zijn vinger leeg is dipt hij zijn vinger weer in de kom. Gaya pakt de kom uit zijn hand, voegt wat water aan de inhoud toe en met een kleine steen wrijft zij de inhoud zo klein mogelijk. ‘Kleine beetje K’wan’, zegt zij zachtjes. ‘Het welpje is zo mager, die heeft al een tijdje te weinig gegeten en te veel ineens zal hem buikpijn geven’.

Na nog een paar hapje te hebben genomen valt het welpje op  K’wan’s schoot in slaap. ‘je gaat het druk krijgen’, zegt Urgh, ‘Kleine wolven willen om de paar uur eten’, zegt Urgh met een lach op zijn gezicht. ‘En deze is zo klein dat dat ook wel moet. Neem je hem mee naar de grot? Of ga je hier bij het vuur slapen?’. Voorzichtig, om het welpje niet wakker te maken, seint K’wan ‘Hier’. ‘Dacht ik al’, reageert Urgh, ‘Ik ga je gezelschap houden. En ik niet alleen’. Dan pas ziet K’wan de andere bij het vuur zitten. Tork die al aan zijn wacht is begonnen, Zan die nog niet naar bed is gegaan, Gaya, Elm en Marg.

Tork heeft nog maar net Krom wakker gemaakt om aan de laatste wacht van die nacht te beginnen wanneer Kleintje wederom met een kleine welp in zijn bek de weide op loopt en het beestje bij Urgh neerlegt en zich omdraait. Dit keer verdwijnt hij niet alleen in het struikgewas. Tork, Elm en Marg gaan met hem mee. Zich afvragend hoeveel welpen er nog gevonden gaan worden pakt Urgh de kom van Gaya aan en begint het kleine beestje wat op zijn schoot ligt te voeren.

© Rianne, 8 november 2015

Advertenties