Lamme Urgh

Boek van Urgh_093: Schuldig?

cropped-urgh2

Langzaam wordt het licht. Een voor een voegen de hutbewoners zich bij de nachtbrakers bij het vuur. Vooral de kinderen zijn verrukt over de aanwezigheid van de welpjes maar hun enthousiasme dooft al snel wanneer Gaya hen duidelijk maakt dat de beestje nog veel en veel te klein zijn om mee te spelen. Na het ontbijt nemen Flik en Tas de kinderen mee naar het oefenveldje. Alleen Zen blijft achter. Het kind wat niet mocht zijn heeft zich tussen de twee mannen met de welpjes genesteld en houdt dan de een en dan de ander de kom met eten voor en maakt regelmatig verrukte geluidjes.

Een iemand vindt de aanwezigheid van de welpjes maar niets en dat is Durk. ‘Dat zijn wilde beesten’, zegt hij. ‘Nou eten ze uit je hand maar hoe gaat dat als ze groter worden’. ‘Kleintje heeft in al de jaren dat hij bij mij woont nog nooit iemand kwaad gedaan’, antwoord Urgh, ‘En hij was groter dan deze twee toen ik hem vond. Hij is zelfs nog nooit achter de schapen aangegaan’. Durk zegt niets maar zijn gezicht spreekt boekdelen. Hij loopt naar de grot waar zijn spullen liggen en komt even later voorzien van zijn werpspiesen samen met zijn zoon Kelp terug de weide op. ‘Kelp en ik gaan jagen’, zegt hij en samen lopen zij de kant van het oefenveldje op. Het is Zan die hen terughaalt. ‘Urgh verdeelt hier de taken’, zegt hij vriendelijk. ‘Urgh beslist wie gaat jagen en waar er gejaagd wordt. Niet jij of ik Durk’. Met een boze uitdrukking op zijn gezicht en onder zijn adem mopperend keert Durk zich om en loopt terug naar het vuur. ‘Wanneer verdeel jij de taken?’, vraagt hij aan Urgh. ‘Eerst moeten Elm, Kleintje en de andere terug zijn’, zegt Urgh. ‘Dan pas kan ik beslissen wat voor nu de beste taakverdeling is’. Durk zegt niets maar aan zijn houding is duidelijk af te lezen dat hij het niet met Urgh eens is.

Een langgerekte huil van Kleintje kondigt de komst van de drie mensen en de wolf aan. Vanaf zijn plekje bij het vuur ziet Urgh hoe beide mannen een kant van een draagbaar vasthouden. Hij schrikt wanneer de mannen de draagbaar tussen hem en het vuur neerzetten. Op de baar ligt een zwaargewonde en uitgemergelde wolvin. Vier nog kleinere welpjes dan de twee die Kleintje in eerste instantie heeft gebracht liggen dicht tegen haar aangekropen. ‘Wat denk je Urgh’, vraagt Marg, ‘Is de wolvin nog te redden?’ Urgh legt het welpje wat hij in zijn handen heeft bij M’na op schoot en laat zich op zijn knieën naast de wolvin zakken. ‘De wolvin maakt wat happende bewegingen naar hem maar is te zwak om hem iets aan te doen. Eerst onderzoekt hij de wond, dan gaan zijn handen het hele lijf van de wolvin langs. Hij voelt meerdere gebroken botten. Hij kijkt op naar zijn vuurpartner. ‘Het is een speerwond’, zegt hij, ‘Die ontstoken is. Denk jij dat wolven net zo reageren op kruidenverbanden als mensen?’. Gaya knikt. ‘Ze heeft ook een gebroken achterpoot’, zegt hij dan. ‘Daar moet jij voor zorgen’, zegt Gaya. ‘Maar eerst moet zij wat eten. Als zij blijft leven hebben de welpen ook meer kans om te blijven leven’. Urgh knikt zijn vuurpartner toe wanneer zij een lage kom met fijngemalen vlees en wat vleesnat bij de kop van de wolvin neerzet. De wolvin komt een beetje overeind en begint aarzelend en slobberend te eten. Als de eerste kom leeg is wast Gaya de wond in haar flank uit en bindt er een kruidenverband om heen. Onder luidt gegrom van de wolvin zet Urgh haar achterpoot en spalkt het. Dan zet Gaya weer een bak met eten naast haar neer.  Ook deze kom is in een mum van tijd leeg.

De vier welpjes zijn ondertussen van de draagbaar gehaald en worden door Ani, Marg, Yali en Pon gevoerd. Azel verschijnt met een grote platte mand voorzien van een laag bont en zet deze bij het vuur. Als we ze niet voeren kunnen ze hier samen met de wolvin in liggen’, zegt hij. Zo blijven ze allemaal warm en dicht bij elkaar’.

‘Wat een gedoe zeg, om een stel wilde beesten die toch dood gaan’, grauwt Durk die dichterbij is gekomen. De wolvin, die zich net vrij makkelijk in de door Azel gemaakte mand heeft laten leggen richt zich ineens met ontblote tanden op en begint achter in haar keel te grommen. Zonder op te kijken vraagt Urgh ‘Durk, kan jij mij vertellen hoe deze wolvin aan haar verwondingen komt?’ Even is het stil. ‘Waarom vraag je dat aan mij’, snauwt Durk dan. ‘Er wonen hier geen andere mensen dan wij in de buurt’, antwoord Urgh rustig. De jagers van dit dorp weten wel beter dan een dier met jongen te willen doden. De verwondingen zijn een dag of vier oud. Dus van rond de tijd dat jullie langs haar hol kwamen. Ik ga er daarom van uit dat iemand uit het dorp van Slik haar verwond heeft. Gezien haar reactie op jou was je er in ieder geval bij’.  ‘Ze viel mij ineens aan’, snauwt de jager. ‘Ik had mijn werpspies niet bij de hand dus schopte haar van mij af. Daarna reeg Klif haar aan zijn werpspies en gooide haar opzij’. Urgh zegt niets. Gezien de verwondingen van de wolvin zou het zo gegaan kunnen zijn. Misschien ook niet. Heeft hij een fout gemaakt door Durk te laten blijven? De tijd zal het leren.

© Rianne, 22 november 2015

Advertenties

3 thoughts on “Boek van Urgh_093: Schuldig?”

Reacties zijn gesloten.