Lamme Urgh

Boek van Urh_099: Gaat Krom het halen?

cropped-urgh2

In een poging aan de jagers te ontkomen zigzagt de bok tussen de twee oude jagers door. Zijn weg wordt versperd door de rotswand. Hij hoort hoe de jagers dichterbij komen. Dan zien zijn ogen het pad naar boven en rent die kant op. Gehinderd in zijn bewegingen door de werpspies van Krom die in zijn schouder vast zit probeert hij over de slee die voor de opening van het pad staat te springen. De werpspies blijft achter de slee hangen. Landend op zijn knieen schiet de bok over de kop, blijft even versuft liggen, poogt dan op te krabbelen. Dan is Durk daar, zijn stenen mes in de hand. Met een snelle beweging snijdt Durk de keel van de jonge bok door. De bok in zijn doodstrijd achterlatend loopt Durk met de slee naar de plek waar de hinde en de gevelde jager liggen.

Zan zit op zijn knieën naast de vuurpartner van zijn dochter. Zijn handen zoeken in de nek van de jongeman naar een teken van leven en haalt opgelucht adem. ‘Hij leeft nog’, zegt hij schor. ‘De bok is dood’, hoort hij Durk zeggen. Zan’s blik valt op de slee. ‘Slim’, zegt hij tegen Durk. ‘Flik, Durk, leggen jullie Krom op de slee en brengen jullie hem naar het kamp. Elm kan hem onderzoeken. Kom daarna meteen terug. Tak en ik blijven hier om de buit te bewaken’.  Snel tillen Durk en Flik de gevelde jager op, leggen hem op de slee waar hij met een paar repen leer vastgebonden wordt en vertrekken, de beide oude jagers bij de buit achterlatend.

De herten hebben zich op veilige afstand van de beide jagers teruggetrokken. De vlakte voor hen is leeg. Tak en Zan maken riemen aan de voorpoten van de hinde vast. Uit zijn ooghoek ziet Tak iets bewegen in het struikgewas tussen de hinde en de herten. ‘Zan’, sist hij. ‘Er beweegt wat in dat bosje daar’. Met samengeknepen ogen kijken beide jagers naar het struikgewas halverwege de vlakte, hun grip op de werpspies in hun hand verstevigend maar zien niets. ‘De wind’, zegt Zan. ‘Kom, we gaan de  hinde verslepen’. Beide mannen draaien zich om. Dan ziet Zan vanuit zijn ooghoek hoe er een groot lichtbruin lijf zich losmaakt uit het struikgewas. ‘Holenleeuwin’, sist hij. ‘We laten de hinde voor haar liggen en brengen de bok in veiligheid’. Dit gezegd hebbende laat hij de riem los. Tak volgt zijn voorbeeld en rug aan rug, zodat zij de hele vlakte in ogenschouw kunnen nemen, lopen de beide mannen richting de plek waar de bok ligt. De holenleeuwin komt snel dichterbij. Even lijkt het er op dat zij achter de mannen aangaat, maar dan zet zij haar tanden in de hinde en begint het dier de andere kant op te sjorren. Met lede ogen zien de beide jagers hun buit over de vlakte verdwijnen.

‘Krom? Is hij… Is hij..?’ Azel kijkt naar het stilel lichaam van zijn zoon op de slee. ‘Hij leeft nog’, antwoord Durk. ‘Zan zei dat Elm naar hem moet kijken. Waar is Elm?’ Azel laat zich op zijn knieën naast de slee vallen terwijl hij naar achteren wijst. ‘Hij is bomen aan het kappen aan de andere kant van de geul’. Flik knikt en rent de door Azel genoemde kant op. Eenmaal aan de andere van de geul gekomen ziet hij Elm die bezig is een boom te vellen. ‘Elm’, roept hij, ‘Elm, kom snel. We hebben je nodig! Krom is gewond’. Elm laat alles uit zijn handen vallen en komt aanrennen. ‘Wat is er gebeurt?’, vraagt jij Flik. ‘Een hert heeft Krom omver gelopen’, antwoord de jonge jager. ‘Hij is bewusteloos maar bloed nauwelijks’. Elm trekt een lelijk gezicht. ‘Weinig bloed wil niet zeggen dat het goed is’. Snel lopen beide mannen naar beneden.

‘Waar zijn Tak en Zan?’, vraagt Elm terwijl hij naast de bewusteloze jager neerknielt. ‘Die bewaken de buit’, antwoord Durk. Elm knikt. ‘Azel, kom dan tillen wij Krom van de slee af’. Azel knikt en help Elm om Krom op de grond te leggen. ‘Drink even wat’, zegt Elm tegen de jagers, ‘En ga dan de andere twee halen. Ik ga Krom onderzoeken en afhankelijk van wat ik vind wil ik vanavond al richting het dorp vertrekken’. De jagers knikken, nemen wat te drinken en vertrekken dan in hoog tempo terug naar de vlakte. De lege slee danst achter hen aan.

‘Snijd jij de koorden van zijn tuniek even open Azel’. Met een klein knikje doet de oude man wat zijn voormalig dorpswijze van hem vraagt. Voorzichtig snijdt hij de koorden van zijn zoon’s tuniek los en trekt het leer weg. De werparm van zijn zoon is blauw en paars. ‘Flik vertelde mij dat Krom een werpspies in de bok heeft gestoken terwijl hij zelf over een hinde viel. Daardoor is de spies uit zijn hand gerukt. Zo te zien is de bok daarna op zijn arm geland’.  Van boven naar beneden werkend gaan de handen en ogen van Elm op zoek naar wonden en botbreuken. Op de bovenarm treft hij een hoefafdruk van het hert aan. De huid is gescheurd en er zit wat opgedroogd bloed rond de wond. De botten onder de afdruk lijken nog heel te zijn. Langzaam gaan zijn handen naar benden. Krom’s elleboog is gezwollen maar Elm voelt geen breuken. Die voelt hij pas wanneer hij bij Krom’s pols aankomt.  ‘Dat valt mee’, zegt hij met een glimlach. ‘Azel, zou je een paar duimdikke stokken van ongeveer zo lang ‘, en hierbij houd hij zijn handen ongeveer 10 centimeter uit elkaar, ‘Willen zoeken. En een aantal repen leer willen snijden. Dan ga ik zijn pols zetten’.  Zonder iets te zeggen knikt Azel en staat op om te doen wat Elm hem heeft gevraagd. Zodra de vakman uit zicht is voelt Elm nogmaals hoe de breuk loopt. ‘Dit gaat even pijn doen jongen’, mompelt hij zachtjes om dan met een snel gebaar de breuk zo goed mogelijk te zetten. Terwijl er zweet op zijn voorhoofd verschijnt kreunt Krom even. Zijn ademhaling wordt dieper. Net wanneer Azel met de stokken en de repen leer aan komt lopen slaat Krom zijn ogen open en brengt zijn hand naar zijn hoofd.

© Rianne, 10 januari 2016

Advertenties

2 thoughts on “Boek van Urh_099: Gaat Krom het halen?”

Reacties zijn gesloten.