Lamme Urgh

Boek van Urgh_100: Bijna thuis

cropped-urgh2

‘De bok?’, is het eerste wat Krom vraagt na het openslaan van zijn ogen. ‘Geveld’, antwoord Elm. De voormalig dorpswijze pakt de takken en de leren repen van Azel aan en wendt zich tot het slachtoffer die zich probeert op te richten. ‘Blijven liggen Krom’, zegt hij streng. ‘Eerst moet je arm gespalkt worden. Je hebt een gebroken pols’. Krom laat zich achterover zakken. Elm pakte de kleinste reep leer en vouwt deze een aantal malen dubbel. ‘Zet hier je tanden maar in’, zegt hij, en houdt Krom het leer voor. ‘Je vader en ik gaan je pols spalken en dat zou wel eens pijn kunnen doen. Gedwee laat Krom het leer tussen zijn tanden stoppen en probeert niet te luisteren naar de instructies die Elm zijn vader geeft. De jonge takken die Azel heeft gehaald worden gesplits. Vier takken worden met de platte kant naar de arm van Krom onder zijn arm gelegd, de andere vier takken komen bovenop zijn arm te liggen. Op verzoek van Elm licht Krom zijn arm een stukje op terwijl Azel de takken tegen zijn arm aanduwt. Dan begint Elm de leren repen rondom arm en takken te binden. Ondanks het stuk leer in zijn mond moet Krom zijn best doen om het niet uit te gillen van de pijn. Het zweet breekt hem uit. Dan is Elm klaar en haalt het stuk leer uit Krom’s mond. ‘Nu mag je gaan zitten als je daar behoefte aan hebt’, hoort hij Elm zeggen. ‘Als je je gewonde arm maar niet gebruikt. Ook niet om op te steunen’. Dan is daar Azel die hem helpt om overeind te gaan zitten. Krom kijkt naar zijn verbonden arm. De takken die als spalk dienst doen lopen tot ver over zijn hand. ‘Waarom is dat?’, vraagt hij Elm. ‘Om te voorkomen dat je je hand op en neer beweegt waardoor de botten niet goed aan elkaar kunnen groeien’, is het antwoord. ‘Het is nu eenmaal makkelijker een been stil te houden dan een arm’. Elm reikt hem een kom berkenblad thee aan. ‘Drink dit’, zegt Elm, ‘Dat haalt de ergste pijn weg’. Dankbaar neemt Krom de kom met zijn linkerhand aan en begint te blazen alvorens een slokje te nemen. ‘Bah’, moppert hij, ‘Dit smaakt vies’. Elm grijnst hem vriendelijk toe. ‘Recept van Onna’, zegt hij dan. ‘Die was van mening dat medicijnen niet lekker mogen smaken. Vieze medicijnen bevorderen het genezingsproces zei zij altijd’.

Elm verandert van onderwerp. ‘Ik heb begrepen dat jullie een hinde en een bok hebben buitgemaakt. Klopt dat?’. ‘De hinde weet ik zeker, de bok vermoed ik’. Elm kijkt even peinzend voor zich uit, kijkt dan naar het bleke gezicht van de jager, naar diens opgezwollen arm. ‘Ik wil maar een van beide dieren mee naar het dorp nemen. Ik wil dat er  plek voor jou overblijft op de slee’. Krom kijkt zijn zusterspartner boos aan. ‘Ik loop zelf naar huis’, snauwt hij. ‘Er mankeert niets aan mijn benen. We nemen beide beesten mee naar huis. Al het eten is welkom, dat weet je toch!’. Krom probeert op te staan maar wordt danig in zijn beweging gehinderd door zijn gespalkte arm. ‘Blijf zitten’, gebied zijn vader hem. ‘Ik ga een draagbaar maken voor het tweede beest. Die kunnen we achter de slee hangen zodat we al het eten mee naar huis kunnen nemen’. Elm knikt. ‘Ik ga het vuur in de kuil vast opstoken zodat we een van de twee karkassen straks kunnen roken en gaar mee naar huis nemen. Dat scheelt in gewicht’.

Het vuur brand hoog en warm wanneer de jagers met de bok op de slee het kamp binnen lopen. Bij het zien van het bleke gezicht van Krom en de draagbaar waar Azel aan werkt betrekt het gezicht van Zam. ‘Is het zo slecht met de jongen gesteld’, vraagt hij zachtjes aan Elm. Die haalt zijn schouders op. ‘Ik heb maar een breuk kunnen ontdekken, maar dat wil weinig zeggen. Die draagbaar is voor het tweede beest’. Weer betrekt het gezicht van Zan. ‘We hebben alleen de bok mee kunnen nemen’, zegt hij dan. ‘De hinde hebben we af gestaan aan een holenleeuw. Twee oude jagers maken weinig kans tegen een hongerige holenleeuw’. Hij kijkt naar het hoog oplaaiende vuur. ‘Jij wilt de bok inkuilen en vannacht laten garen?’. Elm knikt. ‘Eerst thee’, reageert Tak, ‘Dan gaan we de bok wel uitbenen’. Flik schept een flinke kom kruidenthee in, neemt een slok en spuugt de thee weer uit. ‘Gatverdamme, wat is dit smerige thee zeg!’. Elm schiet in de lach. ‘Dat is niet onze thee, maar het mediicjn van Krom’. ‘Zeker les gehad van Onna’, reageert Zan. ‘Volgens haar werken smerig smakende medicijnen beter dan lekker smakende. Ik ben meer een voorstander van de zoete drankjes van Nana. Die werken volgens mij net zo goed’. Elm haalt zijn schouders op. ‘Ik heb geen honing meegenomen en de tijm en hyssop bloeien nog niet. Dus Krom heeft pech’. Als een boer met kiespijn lacht Krom met de andere mannen mee. Geholpen door Elm staat hij even later op en loopt achter de jagers aan om toe te kijken terwijl de jagers ‘zijn’ bok gaan uitbenen. Daardoor ontgaat hem dat zijn vader rustig verder werkt aan de draagbaar.

De volgende morgen vroeg vertrekken de mannen volgens afspraak terug naar het dorp. De gerookte bok, het gewei en de huid liggen op de slee. De draagbaar ligt er overheen. Werd het tempo op de heenweg door Azel, Elm en de slee bepaald, nu passen de mannen zich aan het tempo van Krom aan. Wanneer de zon op haar hoogtepunt staat rusten de mannen even uit. Krom ziet lijkbleek en het zweet parelt op zijn voorhoofd. ‘Ik snap er niets van’, klaagt hij tegen zijn vader. ‘Alleen mijn arm is toch maar gebroken’. Het is Zan die reageert. ‘De bok heeft je met zijn gewei geraakt voordat je viel Krom. Dat is te zien aan de blauwe plekken op je borst. Misschien heb je wel meer gebroken dan alleen je arm. Daarom wil IK dat jij als we dadelijk verder trekken op de draagbaar gaat liggen zodat we voor het vallen van de avond in het dorp zijn. Zodat Urgh en Gaya je kunnen onderzoeken’. Krom wil wat zeggen maar Zan schudt zijn hoofd. ‘Je doet wat ik zeg Krom. Als we bij het dorp zijn mag je van de draagbaar af om het laatste stuk zelf te lopen als dat lukt’.

Ondanks dat het tempo nu hoger is dan in de ochtend begint het al te schemeren wanneer het kleine gezelschap eindelijk het begin van het smalle pad naar het huttendorp bereikt. Azel en Elm brengen de slee tot stilstand zodat Krom het laatste stuk zelf kan lopen. Ondanks de hulp van Flik en Durk lukt het Krom niet van de draagbaar te komen. ‘Laat mij maar liggen’, zegt hij met raspende stem. ‘Tak, ren naar het dorp en waarschuw Urgh en de medicijnvrouwen dat we een zwaar gewonde jager bij ons hebben. Durk en Flik, ik wil dat jullie Elm en Azel helpen met de slee’.  Met een knikje van zijn hoofd richting Zan doet Tak wat er van hem gevraagd wordt en rent over het slechtverlichtte pad naar het huttendorp terwijl achter hem de slee langzaam weer in beweging komt. In stilte, in gedachten verzonken, vervolgen zij hun tocht om de gewonde man zo snel mogelijk thuis te krijgen. En even…

Even moet Zan denken aan de vorige keer dat hij met een zwaargewonde jager in het dorp terugkeerde. De herinnering geeft hem moed. Tenslotte is het met Urgh ook goed afgelopen.

© Rianne, 17 januari 2016

 

Advertenties

2 thoughts on “Boek van Urgh_100: Bijna thuis”

Reacties zijn gesloten.