Koetjes en Kalfjes

Boek van Urgh_102: Een nieuwe dag begint

cropped-urgh2

Eenmaal in de hut van Urgh, bij het zachte licht van een fakkel die in de grond geprikt staat, kijkt Krom vertwijfeld naar de slaapplek die Gaya hem aanwijst. ‘Daar kan ik toch niet liggen’, piept hij. Gaya kijkt hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘Met die ribben en die piepende ademhaling is het beter voor je om niet te liggen maar om zittend te slapen’, reageert zij. ‘En verder zou ik stoppen met dramatisch doen. Je gaat vannacht niet dood. In ieder geval niet aan je verwondingen. Als er van binnen iets kapot was gegaan had je bloed opgegeven en dat doe je niet. Ga zitten, dan maak ik even een slaapdrank voor je zodat je vannacht in ieder geval goed kunt slapen. Van slapen knap je op’. Voordat Krom op de woorden van Gaya kan reageren hoort hij zijn moeder zeggen, ‘Dat dacht ik al Gaya. Dat het allemaal wel meevalt. Maar waarom ziet Pew dat niet?’ ‘Omdat zij zijn vuurpartner is en heel veel om hem geeft’, antwoord Azel. ‘Ik heb Gaya ook wel eens helemaal in paniek gezien wanneer Urgh weer iets stoms had gedaan. Dan leek het ook net of het allemaal erger was dan het het was’. Ondanks het slechte licht is het duidelijk dat er een blos over het gezicht van Gaya trekt. ‘Inderdaad’, zegt zij dan zacht. ‘Als een geliefde persoon gewond raakt vergeet je wel eens om koel en beheerst te blijven’. ‘Waarom’, begint Krom aarzelend, ‘Waarom moet ik dan hier slapen?’. Gaya grinnikt eens naar hem. ‘Omdat je een gebroken arm en gebroken ribben hebt. Zou je in je eigen hut slapen was je waarschijnlijk wakker geworden van drie kinderen die zich vol enthousiasme op papa hadden gestort… Met eventueel een extra ribbreuk tot gevolg. Morgen kunnen we de kinderen uitleggen wat er aan de hand is en dat papa voorlopig geen boom is om in te klimmen’. Krom denkt even over de woorden van de medicijnvrouw na en laat zich dan onhandig op zijn knieen zakken om het zich daarna, in afwachting van de beloofde slaapdrank, makkelijk te maken op de huiden die zijn slaapplek zijn.

Buiten de hut, onder het afdak naast het kleine vuur, maakt Urgh het zich gemakkelijk. Naast hem staat de mand met de nog levende wolvenwelpjes en Kleintje. Nadat de twee  kleinste welpjes het leven hadden gelaten had ook de wolvin haar laatste adem uitgeblazen zodat het voeden van de laatste drie welpjes volledig bij de hutbewoners is komen te liggen. Overdag zijn vooral K’wan en Pol, met de hulp van Zen, met de beestjes in de weer. ‘s-nachts ontfermt Urgh zich, samen met Kleintje, over de welpjes, en slaapt tussen de voedingen door een onrustige slaap.

Bijgelicht door de eerste zonnestralen loopt K’wan de weide op, klaar om voor de welpjes te zorgen. Tas, die de laatste wacht heeft, steekt haar hand in een begroeting op, wijst dan naar Urgh en legt haar wijsvinger tegen haar lip ten teken dat K’wan stil moet zijn. De onrustige nachten hebben hun tol geeist en Urgh lijkt in een diepe slaap verzonken. Zo zacht als hij kan sluipt K’wan dichterbij, vastbesloten de kleintjes te voeren voordat zij hongerig en wel Urgh wakker piepen. Helaas. K’wan’s plan mislukt hopeloos. Terwijl hij zijn hand uitsteekt naar de kleine kom waar het voedsel van de welpen in wordt bewaard slaat Urgh zijn ogen open, gevolgd door de welpjes die meteen beginnen te piepen. Met een paar grote halen van zijn tong probeert Kleintje de welpjes nog stil te krijgen maar de honger is te groot. Zo snel hij kan schept K’wan wat van de speciaal voor de beestjes gemaakte voeding in een kom en samen met Urgh voedt hij de kleintjes. Wanneer de welpjes hun buikje vol hebben en zich weer opkrullen voor een volgend dutje haalt K’wan twee kommen thee. Zwijgend drinken de mannen van hun thee waarbij K’wan zo af en toe steels over zijn kom heen naar Urgh kijkt. ‘Zeg het maar K’wan’, zegt Urgh, ‘Ik kan zien dat je iets dwars zit’. K’wan zet zijn kom neer en zijn vingers beginnen aarzelend te praten. ‘Ik ben gisterenavond geschrokken over wat jij tegen de jagers hebt gezegd. Was jij niet onnodig hard voor hen en voor jezelf? Zij doen hun best en jagen is gevaarlijk zoals jijzelf ondervonden hebt’. ‘Misschien’, antwoord Urgh, ‘Misschien ook niet.  Zoals je zegt, jagen is gevaarlijk. Mijn eigen ervaring leert dat wanneer er lange tijd geen jachtongelukken gebeuren jagers overmoedig worden, onnodige risico’s nemen. Zoals ik lange tijd geleden. Zoals Krom nu. Ik heb gisterenavond gepoogd iedereen wakker te schudden. Het had veel minder goed met Krom af kunnen lopen en het had ook zo maar de laatste jacht van Mus kunnen zijn. Ik neem niemand iets kwalijk maar ik wil wel dat de jagers de regels weer beter gaan volgen en niets aan het toeval over laten. De tijd nemen om op een veilige manier hun prooi te doden. En iemand had Durk het fluitje voor ‘gevaar’ moeten leren. Dan had Krom meer kans gehad om aan de bok te ontsnappen. Dat probeerde ik duidelijk te maken gisterenavond’. K’wan denkt even na ‘Ik denk dat ik het snap. Ik vind het wel lastig. Voor mij horen ongevallen bij de jacht. Dieren, zeker wanneer ze in doodsangst verkeren, zijn altijd gevaarlijk. Bij ons raakte er eigenlijk altijd wel iemand gewond tijdens de jacht. Als je alleen maar met je handen praat en niet weet hoe je moet fluiten kan je niemand waarschuwen’. Even laat hij zijn handen in zijn schoot rusten. ‘Ik vind het wel prettig dat de jagers hier altijd met buit en zonder ernstige verwondingen terug keren van de jacht’. Urgh knikt. ‘Ik ook K’wan, ik ook. Ik hoop dat mijn woorden voldoende zijn om de jagers dat in te laten zien’. Urgh drinkt zijn theekom leeg. ‘Zou je mij nog een kom thee in willen scheppen?’, vraagt hij aan de kleine man. K’wan pakt de kom van Urgh aan en schept hem vol.

Dan wordt de huid voor de ingang van de hut achter beide mannen opzij geduwd en verschijnen Azel, Krom en Klee. Het is gedaan met de rust van de nacht. Een nieuwe dag is aangebroken.

© Rianne, 31 januari 2016

Advertenties

1 thought on “Boek van Urgh_102: Een nieuwe dag begint”

Reacties zijn gesloten.