Lamme Urgh

Boek van Urgh_105: De indringer op het strand

cropped-urgh2

Net wanneer het tot Urgh doordringt dat de normale bosgeluiden afwezig zijn hoort hij een zacht gefluit. Drie maal, ten teken dat er gevaar dreigt. Het komt uit de richting van het strand. Snel herhaalt hij zo hard hij kan het signaal van K’wan, pakt zijn kruk en slinger en verdwijnt in het struikgewas, op zoek naar het gevaar waar K’wan net voor heeft gewaarschuwd. 

Nog voor hij goed en wel in beweging is hoort hij het gebrul van een beer. Zo snel hij kan loopt hij richting het strand. Net voor de overgang van struikgewas naar strand blijft hij stilstaan om de situatie in zich op te nemen. Hij ziet K’wan die vlak voor het struikgewas stokstijf stil staat. Of het van schrik is of dat hij hoopt dat de beer hem zo niet opmerkt weet Urgh niet. De beer zelf, een groot, zwart exemplaar, staat in het ondiepe water van de rivier aan een grote vis die half op het strand ligt te knagen. Hij lijkt K’wan nog niet gezien te hebben. 

‘K’wan, als hij een hap neemt doe je een stap achteruit’, zegt Urgh zo zachtjes mogelijk. Hij weet niet of de kleine man hem gehoord heeft. De beer buigt zijn kop voorover en neemt een flinke beet uit de vis. K’wan doet voorzichtig een stapje achteruit en wacht tot de beer weer een hap neemt. Hapje voor stapje verdwijnt K’wan richting het struikgewas. Bij zijn laatste stap achteruit voordat hij tussen de struiken staat trap hij op een tak die met een scherpe knak breekt. De beer draait zich, op zijn achterpoten staand, richting het geluid. De vis is vergeten. Hij ziet de beweging van de struiken en met een hard grommend gebrul laat hij zich op vier poten zakken en rent recht op de twee mannen af.

Dan raakt een steen hem van achteren tegen zijn linkerschouderblad. De beer blijft staan. Hij wordt getroffen door een tweede steen, nu tegen zijn rechterflank. Vanuit zijn ooghoeken ziet hij beweging aan zijn linkerkant. Hij draait die kant op en woest brullend rent hij recht op de beweging af. Nu wordt hij van alle kanten getroffen door stenen. Verward blijft hij staan. Probeert zich op zijn doel te focussen maar de mensen bewegen te veel en elke steen treft doel. Hij ziet nog maar een uitweg. Terug naar waar hij vandaan kwam, terug het water in. Te laat ziet hij dat zijn weg versperd wordt door mannen met werpspiesen. De ene spies na de andere raakt hem. Hij wijkt uit, richting de rotsen bij het water. De stenen die hem treffen worden groter en zwaarder. Zo snel hij kan vlucht hij. Dan staat ineens Tork voor hem. zijn werpspies met beide handen omklemt. De beer richt zich op en slaat met zijn klauwen richting Tork die dankbaar van de gelegenheid gebruik maakt om zijn spies recht in het hart van de beer te steken. Tork laat de spies los en danst buiten het bereik van de klauwen van de beer. De beer laat zich op alle vier zijn poten terugzakken waardoor de spies nog dieper zijn lijf binnendringt. Hij struikelt, probeert weer overeind te komen, struikelt weer en valt luid grommend en brullend half in het water. Nogmaals doet hij een poging om op te staan maar zijn poten willen hem niet meer dragen. Met een laatste langgerekte brul zakt hij op de grond. Zijn machtige achterpoten klauwen in het zand maar krijgen geen grip. Dan ligt hij stil. De jagers op het strand barsten in een luid gejuich uit.

De twee mannen aan de rand van het strand halen opgelucht adem. Een scherpe lucht bereikt Urgh’s neus.  De kleine man naast hem heeft uit angst zijn water laten lopen. Beschaamd kijkt K’wan hem aan. ‘Ik ben geen groot jager’, seinen zijn handen. ‘Een groot jager ziet zijn prooi onverschrokken naderen’. Urgh schiet in de lach. ‘De eerste jager die een prooi van dit formaat onverschrokken ziet naderen moet nog geboren worden’, antwoord hij. ‘Schaam je niet K’wan. Dit is elke jager wel eens overkomen. Oog in oog met de dood doet het lichaam dingen waar je je op dat moment niet druk over kunt maken’. Het gezicht van K’wan verteld hem duidelijk dat hij de grote man naast hem niet echt geloofd. Toch loopt K’wan samen met Urgh naar de jagers die met de rug naar hun toe bij de beer aan de waterkant staan.

Waarschijnlijk doordat de rotsen waar de beer ligt doordrenkt zijn van bloed glijdt Urgh uit. In zijn val sleurt hij de kleine man naast hem mee en samen belanden zijn, oog in oog met de dode beer, in het ondiepe water van de rivier. Met een vlugge beweging grijpt Urgh zijn krukken die weg dreigen te drijven en staat, steunend op de krukken, op.

‘Het is maar goed dan jullie hier waren en jij ons waarschuwde Urgh’, zegt Zan. ‘Ik moet er niet aan denken dat die beer het dorp ingewandeld was’. ‘De eer gaat volledige naar K’wan’, antwoord de dorpswijze. ‘Hij was het die de beer als eerste zag en mij met een fluitsignaal waarschuwde, waardoor ik jullie weer kon waarschuwen’. Alle blikken richten zich op K’wan die samen met Urgh het strand op loopt terwijl het water uit zijn kleren loopt. Tork pakt zijn mes, wenkt K’wan om dichterbij te komen en zegt ‘Dan is de huid voor jou en is het nu tijd voor je eerste les villen en uitbenen’. Voor K’wan iets kan zeggen begint Tork aan zijn uitleg. ‘Kijk, dan maak je hier een snede in de huid en…’. 

Met een tevreden glimlach rond zijn mond kijkt Urgh naar de kleine man van de Vroegere Stam die vanaf nu echt bij de dorpsbewoners hoort. Met een knikje naar  K’wan en de jagers draait hij zich om en wandelt in een rustig tempo, zwaarder op zijn krukken leunend dan anders, terug naar het dorp. Tijdens zijn val in het water heeft hij de knie van zijn slechte been flink gestoten. 

© Rianne

Advertenties

1 thought on “Boek van Urgh_105: De indringer op het strand”

  1. Ach die arme beer. Maar ja, de een zijn dood is de ander zijn vlees, botten en huid natuurlijk.
    Hopelijk heeft Urgh geen groot kwetsuur opgelopen.

    Like

Reacties zijn gesloten.