Lamme Urgh

Boek van Urgh_106: Lentestorm

cropped-urgh2

Met een tevreden glimlach rond zijn mond kijkt Urgh naar de kleine man van de Vroegere Stam die vanaf nu echt bij de dorpsbewoners hoort. Met een knikje naar  K’wan en de jagers draait hij zich om en wandelt in een rustig tempo, zwaarder op zijn krukken leunend dan anders, terug naar het dorp. Tijdens zijn val in het water heeft hij de knie van zijn slechte been flink gestoten. 

De wandeling over de vochtige rotsen, afgewisseld door zanderige stukken, valt hem zwaarder dan hem lief is. Bij de drijfbomen aangekomen laat hij zich achter een van de bomen op de grond zakken en leunend met zijn rug tegen de boom staart hij over het water. Het zonlicht weerkaatst op het water en maakt dat hij zijn ogen tot kleine spleetjes knijpt. Terwijl hij daar zo zit realiseert hij zich dat hij moe is. Zo moe. Langzaam zakt zijn hoofd voorover. Alleen de kloppende pijn in zijn been houdt hem enigszins bij de les. Weer schittert het licht in zijn ogen en met een ruk brengt hij zijn hoofd omhoog en spert zijn ogen wagenwijd open. Maar niet voor lang. ‘Nona, Onna, wat doen jullie hier?’, mompelt hij. Dan voelt hij zelfs het kloppen in zijn knie niet meer en zakt langzaam onderuit. 

‘Waarom laten we de beer hier liggen?’, vragen de handen van K’wan. ‘Al het bloed moet er eerst uitlopen voordat we hem gaan villen en in stukken hakken’, antwoord Tork. ‘Knaagdieren en klein wild kan je nog wel vol bloed villen, maar een beer… Een beer is te groot. Dan is er te veel bloed’. ‘Nog meer bloed?’, vragen zijn handen en hij kijkt verbaasd. Zowel Tork als de kleine man zijn bedekt met bloed van de beer. ‘Nog meer bloed’, zegt Tork. De oude jager loopt naar de waterkant waar de overige jagers als ronddobberen en trekt zijn kleren uit. ‘Ik ga het bloed van mijzelf en uit mijn kleren wassen’. Grinnikend vervolgd hij: ‘Als ik jou was zou ik dat ook doen, anders krijg je ruzie met M’na’. De kleine man kijkt hem even aan. Zijn wangen kleuren. ‘Zijn jullie al tot overeenstemming gekomen? Het duurt niet lang meer voor de zomerzonnewende’, vraagt Tork verder. De wangen van K’wan kleuren nog dieper. ‘Wat heb ik, een dorpswijze zonder dorp, zonder voorouders, zonder jagers, zonder voedselzoekers, M’na te bieden. Zij is medicijnvrouw en wordt door de beide andere medicijnvrouwen als gelijke behandeld terwijl ik samen met de kinderen leer jagen, kommen maken en voor schapen zorgen.’. Tork schiet in de lach. ‘Jij bent een wolventemmer. Dat is ook heel bijzonder. En jij hebt het dorp van de beer gered. Moet ik Gaya vragen of zijn M’na wil polsen?’. Even kijkt K’wan hem hoopvol aan. Dan betrekt zijn gezicht en  schudt hij zijn hoofd van nee. ‘Ik ben M’na niet waardig’. Tork opent zijn mond om nog wat te zeggen maar K’wan schudt gedecideerd van nee. ‘Nee Tork, ik ben M’na niet waardig’. Schouderophalend sluit Tork zijn mond en laat zich in het water vallen om het berenbloed van zijn lijf te wassen. K’wan volgt zijn voorbeeld. Wanneer de kleine man naar adem happend weer boven water komt opent hij zijn ogen maar knijpt ze meteen weer dicht vanwege het water uit wat uit zijn haren in zijn ogen loopt en het zonlicht wat fel en schitterend door het water wordt weerkaatst. Even meent hij uit zijn ooghoeken iets te zien bewegen bij de drijfbomen. Wanneer hij wat langer die kant op kijkt ziet hij niets bijzonders. ‘Zal het zonlicht wel zijn geweest’, denkt hij, en richt zijn aandacht op het gesprek van de jagers.

Het gesprek duurt niet lang. Ineens schuift er een grote donkere wolk voor de zon en begint de wind aan te trekken. ‘Lentestorm’, zegt Tork. ‘We moeten het karkas van de beer goed vastzetten en dan zien dat we boven komen’. De mannen komen het water uit en trekken hun natte kleding aan. In een razend snel tempo wordt het donker. ‘Flik, Krap, ren naar het dorp. Zorg dat de kinderen zo snel mogelijk van het oefenveldje worden gehaald. Probeer iedereen en de beesten van Elm in de grotten te krijgen’. Flik en Krap knikken en beginnen te rennen terwijl de wind aan hun kleren trekt. K’wan helpt Tork en Zan mee met het vastzetten van het karkas. Dan worden de mannen opgeschrikt door een enorme bliksemflits gevolgd door een harde donderklap. Weer meent K’wan iets te zien bij de drijfbomen. ‘Kom, we gaan naar het dorp’, zegt Tork. Worstelend tegen de wind lopen de jagers naar het pad tegen de rotswand. Het is ondertussen zo donker als de nacht. Alleen de bliksemflitsen lichten hen zo af en toe bij. K’wan, die minder gespierd is dan de jagers raakt snel achterop. Achter hem hoort hij een enorme donderklap die maakt dat hij onbewust om kijkt. De donderklap wordt gevolgd door een bliksemflits en dan weet K’wan het zeker. Daar aan de waterkant, bij de drijfbomen, ligt het lichaam van een mens. Zonder stem en in het donker kan hij de aandacht van de jagers niet trekken. Hij laat een zielig fluitje horen maar dat komt niet boven het geraas van de storm uit. De kleine man staat in tweestrijd. ‘Wat zou Urgh in zo’n geval doen?’, vraagt hij zich af. Zijn voeten weten het antwoord eerder dan zijn hoofd. Hij draait zich om en loopt hij richting de drijfbomen. Een door de wind opgestuwde golf slaat over de waterkant heen en pakt een drijfboom op en trekt het vaartuig het water in. Met de wind half in de rug is K’wan sneller dan verwacht bij de overgebleven drijfbomen. Bij het licht van een bliksemflits ziet hij Urgh liggen. Ondanks de wind en regen ligt de grote man met dichte ogen doodstil. K’wan laat zich op zijn knieeen bij het lichaam neervallen en zijn handen zoeken in de nek van de grote man naar een teken van leven. Weer slaat een grote golf over de waterkant heen. De drijfboom waar Urgh achter ligt begint vervaarlijk te bewegen. Zonder verder na te denken, zonder duidelijkheid of Urgh nog leeft,  pakt K’wan de grote man onder zijn oksels vast en begint hem achteruitlopend bij de drijfbomen weg te slepen, richting de rotswand. De wind lijkt van alle kanten te komen, rukt aan zijn kleding.

Opwaaiend zand striemt langs zijn gezicht, zijn handen, in zijn ogen. Tergend langzaam komt hij vooruit. Hij voelt zijn armen nauwelijks meer. Dan bereikt hij een paar flinke rotsblokken die op het strand liggen en die een vage kom vormen. Hij trekt, duwt en schuift de lange man de kom in. De regen valt daar net zo hard als buiten de kom, maar de wind is hier een stuk minder. Er zit niets anders op dan hier te wachten tot de storm gaat liggen. Zijn tanden klapperen van vermoeidheid en kou. Een enorme bliksemschicht verlicht de hemel, het strand, en de rotswand. Even meent de kleine man en schittering in de ogen van Urgh te zien maar voor hij dat met zekerheid kan vaststellen is de wereld weer donker, zwart. In de stromende regen, met de wind die rond de rotsen raast weet K’wan het zeker. Deze nacht gaan Urgh en hij niet overleven!

© Rianne

Advertenties

2 thoughts on “Boek van Urgh_106: Lentestorm”

Reacties zijn gesloten.