Lamme Urgh

Boek van Urgh 120: Zonsopgang

Sinds de Zomerzonnewendeviering zijn er een aantal maanden verstreken. De dorpelingen hebben hard gewerkt om de grot bewoonbaar te maken. Bij drie van de acht ingangen zijn grote delen van de bramen en frambozenstruiken weggehakt. De overgebleven takken zijn over de wilgentenenmatten die in de vorm van een tunnel in en voor de ingangen zijn geplaatst gedrappeerd. Volgends Azel de perfecte manier om de tunnels op hun plaats te houden. De struiken voor de andere ingangen zijn grotendeels intact gelaten. Om te voorkomen dat de struiken te ver de grot ingroeien zijn er wilgentenenwandjes van binnenuit tegenaan gezet. 

De grote vuurplaats ligt achter de middelste ingang, onder een serie van kleine openingen in het plafond. De perfecte plaats voor een binnenvuur volgens Azel. ‘Zo kan de rook altijd weg’, had hij gezegd. Bij het vuur staan een aantal grote manden gevuld met water.  In een aantal koele diepe nissen in de rotswand staan manden met vlees, fruit en knollen. 

Heel natuurlijk heeft ieder gezin een plekje in de grot gevonden om te wonen. Urgh heeft er voor gekozen om zo dicht mogelijk bij de rivieringang te gaan wonen. De grond voor de ingang is vlak en droog, het water van de rivier dichtbij. In de tunnel heeft Azel ruimte gemaakt voor een kleine werkplaats zodat Urgh ook in de wintermaanden aan zijn geliefde drijfbomen kan werken. Want dat er weer nieuwe drijfbomen moeten komen is niet alleen voor Urgh duidelijk.

Het is nog donker wanneer Urgh wakker wordt met een blaas die op springen staat. Hij kruipt uit zijn slaaprol en voelt de ochtendkoude tegen de blote huid van zijn rug. Steunend op zijn knieen pakt hij zijn tuniek en trekt dit aan. Dan staat hij steunend op zijn krukken op en loopt naar buiten. Het gaat allemaal langzamer dan hem lief is en hij is blij wanneer hij op de plek waar iedereen zich deze maand ontlast is aangekomen. De plek, en de  kommen om in te plassen, zijn een idee van M’na. Zij gebruikt de urine om de dierenhuiden sneller, en beter, te prepareren.

Na zijn blaas geledigd te hebben loopt Urgh langzaam naar de rivieroever en laat zich neerzakken op een rotsblok. Langzaam ziet hij de zon over de bergen in de verte heen opkomen. Voelt de eerste zonnestralen op zijn gezicht. Ziet het water voor zich van rotsblok naar rotsblok springen, ziet de vissen de route van het water volgen. Dan draait hij zich een kwartslag en ziet de boomgaard en de akkers aan de andere kant van de geul. De bomen zijn nog klein, de akkers zo goed als leeg. Maar niet helemaal. De vrouwen hebben de omgeving uitgekamt op zoek naar knollen en bladgroenten en alles wat zij hebben gevonden voorzichtig uitgegraven en op de akkers herplant. Alle planten staan er goed bij, net als de kruidentuin van de drie medicijnvrouwen.

Achter zich hoort hij meer mensen de grot uitkomen. Half gedraaid kijkt hij over zijn schouder en ziet K’wan en M’na uit de grot komen. Hun door de voorouders afgedwongen partnerschap lijkt hen beide goed te doen en het hele dorp vaart wel bij de kennis die zij met hun nieuwe stamgenoten delen. Hij keert zijn blik weer naar de andere kant van de geul. Glimlachend ziet hij even later hoe K’wan met een volle kom urine de ontlastplek verlaat en via de afgeplatte boomstam die over de geul ligt langs de boomgaard naar de leerpreparatiekuil die verder stroomafwaarts lig wandelt om de kom te legen. De geluiden achter hem vertellen hem dat de nieuwe dag nu voor alle dorpsbewoners is aangebroken.

Na nog een laatste blik op de rivier te hebben geworpen staat hij op en loopt langzaam terug naar de grot, naar het vuur waar de kruidenthee staat te trekken en de bewoners zich verzamelen om de opdrachten voor deze dag van Urgh te horen.

© Rianne

Wil je weten wat hier aan voor is gegaan? Klik hier!

Advertenties

3 thoughts on “Boek van Urgh 120: Zonsopgang”

Reacties zijn gesloten.