Lamme Urgh

Boek van Urgh 121: Holenleeuwin

Met de herfstwende in zicht heeft Urgh de jagers toestemming gegeven om op hertenjacht te gaan. De jagers richten zich met name op oude hindes en bokken maar ook een aantal niet zo sterke jonge bokken moeten er aan geloven. Op deze manier wordt de kudde wat uitgedund waardoor de kans dat de meeste dieren de winter zullen overleven toeneemt. De holenleeuwin, die voor zover de jagers weten, aan de andere kant van de brede kloof woont, hebben zij sinds hun verhuizing nog niet gezien. ‘Misschien is zijn wel aan de verwondingen die zij tijdens het gevecht met die jonge bok heeft opgelopen bezweken’, had Durk hoopvol gezegd toen de Holenleeuwing een maan na de verhuizing ter sprake kwam. Een paar nachten later hoorde de dorpelingen haar brullen. Het geluid werd door de rotswanden rondom de kloof van de herten weerkaatst zodat niemand precies wist waar het geluid vandaan kwam. 

Drie dagen voor de herfstwende staat er wederom een hertenjacht gepland. Nog voor de zon opkomt zijn de jagers al vertrokken. Iets na zonsopgang volgen Urgh, Elm, Mus, Storm en Luna de jagers. Wanneer zij bij het steile pad wat de kloof in loopt komen wijst Urgh naar links. Daar weet hij een mooi plekje tussen het hoge gras waar de vijf mensen een goed zicht op de jacht in de brede kloof hebben zodat hij de oudste kinderen en Elm vanaf een veilige plek kennis kan laten maken met de hertenjacht. Al pratend en wijzend legt Urgh uit hoe de jacht in zijn werk gaat. Hoe de beoogde buit van de rest van de kudde wordt weggeleid. Hij wijst de jonge bokken aan waar op gelet moet worden. ‘Jonge bokken denken niet goed na’, zegt hij. ‘Die willen nog wel eens op de jagers afrennen om de buit in bescherming te nemen. Maar dat doen zij meestal wanneer de buit een jonge hinde is. Bij oudere dieren hebben zij de neiging om te beschermen veel minder’. Ademloos kijken de vijf mensen toe hoe de oude hinde daar Tork wordt gedood. Dan worden zij opgeschrikt door het zacht ruisen van het struikgewas wat vlak bij hen staat. Nog voor Urgh iets kan zeggen draaien Elm en de drie kinderen zich om, hun slinger gevuld met stenen. Tot hun verbazing zien de vijf mensen hoe Zen vanuit het struikgewas opduikt en naar hen toe rent. Zij horen K’wan het gevaar teken fluiten.

Urgh kijkt om zich heen, op zoek naar het gevaar. Het hoge gras wijkt uiteen en in volle vaart rent een grote Holenleeuwin op de jongen af. Bij het zien van het enorme dier blijft Zen verschrikt stokstijfstil staan. Met haar machtige achterpoten zet de Holenleeuwin af en duikt op de jongen af. Maar K’wan is sneller en samen vallen de jongen en de kleine man op de grond waardoor de Holenleeuwin over hen heen schiet, op haar achterpoten terecht komt, doorschiet en tegen een rots tot stilstand komt. De Holenleeuwin hersteld zich snel, draait zich om en rent wederom op haar prooi af. De kinderen en Elm bekogelen haar met stenen waardoor zij even wordt afgeleid. Ook K’wan en Zen, van de eerste schrik bekomen, bekogelen haar met stenen. Dan valt haar oog op Urgh. De enige mens die geen slinger in de hand heeft. In volle vaart verandert zij van richting en rent op de kreupele dorpswijze af.

Urgh ziet haar komen en weet dat hij geen schijn van kans maakt tegen de Holenleeuwin. Vastbesloten als jager naar de voorouders te gaan verplaatst hij al zijn gewicht naar zijn rechterbeen en steekt beide krukken voor zich uit in een poging de Holenleeuwin in ieder geval te verwonden. Hij voelt de krukken onder het gewicht van de Holenleeuwin breken. De kracht van de impact maakt dat hij achterover valt. Als door een wonder schiet de Holenleeuwin over hem heen. Urgh’s handen reiken naar zijn mes. ZIjn armen voelen alsof er een rotsblok op is gevallen. De Holenleeuwin heeft zich gedraaid en komt weer op hem af. Dit is het einde weet hij….

Dan is daar Kleintje, zijn daar de de jonge wolven. Gedrieën storten zij zich op de Holenleeuwin. Met een beet van zijn machtige kaken verscheurt Kleintje de achillespees van haar linkerachterpoot. De twee jonge wolven doen hetzelfde bij haar rechterachterpoot. De Holenleeuwin zakt door haar achterpoten. De drie wolven gaan nu voor haar keel. Met haar machtige voorpoten veegt zij de jonge wolven aan de kant. Geeft Kleintje een stevige optater. Dan voelt zij een zwaar gewicht op haar rug, voelt hoe haar kop achterover wordt getrokken. Voelt hoe het mes haar keel doorsnijdt zodat het bloed uit haar aderen spuit. Zij voelt hoe het gewicht van haar rug rolt. Zij probeert zich op te richten maar daar zijn de wolven weer die haar tegen de grond drukken. Met elke hartslag vloeit samen met het bloed het leven uit haar weg.

Gealarmeerd door het tumult boven hen zijn de jagers het steile pad op komen rennen, Zan voorop. Zijn ogen schieten van de gevallen dorpswijze naar de Holenleeuw, naar Elm, de kinderen, K’wan, Zen zijn zoon. Hij ziet het bebloedde mes in de handen van zijn zoon. ‘Wat?’. Zijn vraag blijft in de lucht hangen. ‘Zen en K’wan hebben mijn leven gered’, hoort hij Urgh zeggen. ‘Zij hebben samen met de wolven de leeuwing gedood. Verbaasd en vol ongeloof kijkt Zan naar het altijd lachende gezicht van zijn zoon, het eeuwig kind. Die lach  is zo mogelijk nog groter dan anders. ‘Zen gjoot jajer’, hoort hij zijn zoon zeggen. ‘Ja’,  zegt  Urgh lachend, ‘Zen, zoon van Zan, is een groot jager!’.

Met een hart wat bijna uit elkaar barst van trots geeft Zan zijn zoon de jagersgroet.

© Rianne

Wil je weten wat hier aan voor is gegaan? Klik hier!

Advertenties

4 thoughts on “Boek van Urgh 121: Holenleeuwin”

    1. Daar had ik, en daarmee Urgh, nog niet aan gedacht… Al heeft hij er heel lang geleden, voordat hij leerde lopen, wel over gedroomd..

      Like

Reacties zijn gesloten.