Lamme Urgh

Boek van Urgh 131: Overwinteren

Het onverwachtse gedrag van de grote vreemdeling houdt de dorpelingen de hele dag bezig. Alleen de leden van de Vroegere Stam lijken het normaal te vinden. ‘s-avonds, tijdens de maaltijd, is het Urgh die aan K’wan vraagt hoe dat komt. ‘Dat komt door jullie.  Marg die samen met Elm en de jagers voor ons ging zorgen, Durk die zijn best heeft gedaan om de vrouwen te ontzien, jij, de andere en jullie voorouders die bereidt waren en zijn ons als gelijke te zien’. De dorpelingen denken nog over zijn antwoord na wanneer Voorouder Eén in het vuur verschijnt. Zijn handen beginnen meteen te vertellen. 

‘De eerste paar dagen na zijn bijna ontmoeting met de enorme man blijft Krkt in de buurt van de grot en houdt bij alles wat hij doet zijn ogen gericht op het topje van de heuvel. Hij is druk bezig met het verzamelen van stenen, brandhout, bladeren en grassen. Hij bouwt n de grot een ring van stenen, net zoals hij de man heeft zien doen.

Wanneer de zon ondergaat oefent hij met het vlechten van gras en het maken van vuur. Al schuivend op haar billen komt het meisje bij hem liggen. Zij blijkt een waar talent voor vlechten te hebben en al snel komen zij er achter dat samen vuur maken makkelijker is dan wanneer Krkt het alleen doet. Terwijl hij  vonken slaat blaast zij de vonken groter. Aan het eind van de tweede dag heeft het meisje meerdere strikken gemaakt.

Het meisje blijkt niet alleen handig met het vlechten van graskoorden en vuurblazen. Met behulp van een graskoord maakt zij een soort van bakje van een van de grote bladeren. Water halen gaat vanaf dat moment een stuk makkelijker dan met het kleine uitgeholde stukje hout. Het meisje gebruikt de bladerbakjes ook om eten in klaar te maken. Aan een met water gevuld blad voegt zij wat klein gesneden knollen en kruiden uit de gevonden voorraad toe en laat dit naast het vuur, aan de andere kant van de warme stenen, pruttelen. Krkt weet niet wat hem overkomt nu hij zijn tweede warme maaltijd in drie dagen tot zich neemt. ‘Ik ben blij dat ik jou ontmoet heb’, zegt hij tussen twee happen door tegen het meisje. Het meisje lacht verlegen. Dan zeggen haar handen ‘Ik ben Mnaa en ik ben blij dat jij mij gevonden hebt’.

Bij het horen van de naam van het meisje richten alle ogen zich op M’na. Haar gezicht verraadt dat zij net zo verbaasd is over de naam van het meisje als de overige dorpsbewoners en zij haalt haar schouders op bij het zien van de vragende blikken die op haar gericht zijn.

Krkt wacht nog een dag en nacht om er zeker van te zijn dat de mannen echt weg zijn en trekt dan wat verder het kleine dal in om de strikken uit te zetten en om, op verzoek van Mnaa, knollen en kruiden te zoeken. ‘Laat het groen er maar aanzitten’, had het meisje gezegd. ‘Van sommige knollen kan je dood gaan en het is vaak makkelijker aan het groen te zien of je ze kan eten dan aan de knol zelf’. Die dag komt hij zowaar met 10 eetbare knollen thuis. De volgende dag haalt hij het eerste konijn uit een strik. Het leven in het kleine dal is de twee kinderen gunstig gezind. Het weer daarentegen…

Na een viertal weken van leven in overvloed slaat het weer om. Het begint te regen en te waaien. Tegen de avond veranderd de regen in sneeuw. De volgende morgen is het dal bedekt met een dikke laag sneeuw. Naar knollen zoeken is geen optie meer. Wel loopt Krkt de strikken na. Eenmaal terug in de grot doet zijn hele lijf maar met name zijn blote voeten pijn van de kou.  De om zijn lichaam gebonden versleten dierenhuiden stellen meer huid bloot aan weer en wind dan hem lief is.  Hij is dankbaar voor en  blij met het kleine vuurtje wat Mnaa dag en nacht brandend houdt. Rillend van de kou kruipt hij naast het meisje onder de huiden om warm te worden. Zo af en toe wervelt er een windvlaag de kleine grot in en laat het vuur hoog opvlammen. Langzaam gaat de dag over in de nacht. De beide kinderen eten wat, stoken het vuur op en gaan slapen.

De volgende dag is de wind gaan liggen. Op aanwijzing van Mnaa legt hij oude en vies geworden huiden, waaronder hun eigen kleding, met de vacht naar beneden in de sneeuw om het vuil er uit te trekken. De overige huiden worden door Mnaa beoordeelt op kwaliteit en warmte. Zij legt een paar huiden met de vacht naar boven op de grond van de grot en vraagt Krkt daarop te gaan liggen. Met het grote mes van zijn vader maakt het meisje inkepingen in de huid. Dan bindt zij de huid met graskoorden en dunnen repen leer rond zijn lichaam. De vacht kriebelt op zijn lichaam maar hij voelt zijn rug en achterbenen warm worden. Eenmaal klaar met vastbinden legt het meisje nog twee huiden op de grond en herhaalt haar handelingen. Als laatste bindt zij een koord rond zijn middel. Dit koord knoopt zij minder stevig vast dan de overige koorden zodat hij de knoop los kan maken om bovenkant van zijn beenbedekking te laten zakken wanneer hij zich moet ontlasten.  Dan is het zijn beurt om het meisje van eenzelfde warme kledij te voorzien.

Alleen hun voeten zijn nog bloot, koud en nat, wanneer het meisje hem aangeeft dat hij de huiden weer terug de grot in mag halen. Krkt is verbaasd over de donkere vieze kleur die de sneeuw onder de huiden heeft aangenomen. Voorzichtig schuifelend rond het vuur legt Mnaa de goede huiden te drogen. De huiden die ooit als kleding dienst hebben gedaan worden eerst gevouwen en daarna pas  te drogen gelegd. Krkt vraagt haar wat zij met die huiden van plan is. ‘Tegen koude voeten’, antwoord het meisje simpel. Verbaasd kijkt Krkt haar aan. Tegen koude voeten? Bedoelt zij echt dat zij hun voeten met huid wil bedekken? Dat heeft hij nog nooit iemand zien doen. Voeten zijn gewoon altijd koud.

Wanneer de huiden eenmaal droog genoeg zijn blijkt wikkelt Mnaa een van de huiden die ooit als beenbedekking dienst hebben gedaan zo rond zijn voet dat deze helemaal door drie lagen vacht bedekt zijn. Met graskoorden bindt zij de zijn voetbedekking vast en wel zo dat zijn beenbedekking tussen twee lagen huid zitten. Dan is zijn andere voet aan de beurt en daarna doet hij hetzelfde voor Mnaa. ‘Het voelt vreemd, die ingepakte voeten, maar het is wel lekker warm’, denkt Krkt net voor hij ‘s-avonds in slaap valt.

De volgende ochtend is het nog steeds droog en windstil. Krkt maakt zich klaar om de in het dal uitgezette strikken te controleren en daar waar nodig te vernieuwen. Voordat hij weg kan gaan bindt Mnaa nog een vacht rond zijn hoofd.

Eenmaal buiten heeft de jongen geen last van de winterkou. Alleen het lopen is lastig doordat zich een laagje sneeuw onder zijn voeten ophoopt. Maar het gevoel van warme voeten vindt hij dusdanig prettig dat hij zich er nauwelijks aan stoort. Als hij dan ook nog twee gevulde strikken vindt is zijn dag helemaal goed en ziet hij de winter samen met Mnaa in het kleine dal vol vertrouwen tegemoet.

Na die woorden uitgesproken te hebben vallen de handen van Voorouder Eén stil. Met een dromerig blik in de ogen kijkt hij over de mensen heen, naar de heuvels in de verte. Langzaam vervaagt zijn gestalte, gaat in rook op. Met een blik op haar warme voetomhulsels is het Gaya de de stilte verbreekt. ‘Ik geloof dat wij een heleboel aan die kleine, praktische Mnaa te danken hebben’.

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende pagina’s staan alle afeveringen chronologisch achter elkaar.

Advertenties

1 thought on “Boek van Urgh 131: Overwinteren”

Reacties zijn gesloten.