Lamme Urgh

Boek van Urgh 141: Hulp

Boek van Urgh

In stilte eten de nieuwkomers totdat hun magen zeggen vol te zijn. Dat moment komt ver voordat al het eten op is.  Voor het eerst in jaren, voor sommige zelfs voor het eerst in hun leven, gaan de nieuwe familieden met een volle maag slapen terwijl Krkt en zijn zonen om de beurt de wacht houden.

Morgen vertel ik verder’, eindigt Voorouder Eén zijn verhaal voor die avond en weer is hij verdwenen voordat iemand hem een vraag kan stellen. 

Net als de avond ervoor geef Voorouder Eén niemand een kans om hem een vraag te stellen. Hij gaat meteen verder met zijn verhaal.

Onbewust van het feit dat twee paar jonge ogen hen vanuit een eeuwig groenbijvende boom gade slaan, worden Ome en zijn door honger en kou geplaagde familieleden voor dag en dauw wakker. Daar waar de avond ervoor nog vier jonge kinderen klagend jammerde van de honger hoort hij er nu nog maar één. Dan staat zijn vuurpartner Tante met een zorgelijk gezicht voor hem. ‘Er zijn weer kinderen dood’, zegt zij. ‘Zoveel’, en zij steekt drie vingers op. ‘Kwmee doet haar ogen niet meer open’, vervolgt zijn vuurpartner. ‘Gisteren hebben onze beste jager en beste voedselzoekster ons verlaten. Zijn meegegaan met de vreemdelingen die ons hulp aan boden. Waarom Ome? Waarom wilde je die hulp niet aannemen? Waarom moeten wij allemaal dood?’.  Ome heft zijn hand op, klaar om zijn vuurpartner met een stevige klap het zwijgen op te leggen, maar iets houdt hem tegen. ‘Ik ben de Ome’, zegt hij zwak. ‘Ik moet voor onze familie zorgen’. ‘Zorg dan voor onze familie’, antwoord zijn vuurpartner waarna zij zich abrupt omdraait en naar de oude Kwmee loopt.

Ome wenkt de jagers dichterbij. ‘Wij gaan dadelijk weer lopen. Jullie gaan wat verder van de familie vandaan dan anders. Zorg dat je met eten terugkomt want anders…’. Zijn dreigement is loos weten zowel de jagers als Ome. ‘Ik weet waar die vreemde mensen naar toe gaan’. Ome kijkt Plk strak aan. ‘Wij hebben geen hulp van een andere familie nodig’, antwoord hij. ‘Onze familie heeft altijd voor zichzelf kunnen zorgen’. ‘Noem jij dit voor zichzelf zorgen?’, vraagt Plk en doet meteen een stap achteruit maar de verwachtte klap komt niet. ‘Doe nu maar wat ik zeg’, reageert Ome gelaten. ‘Vertrek nu maar. Ik ga de andere aansporen om te vertrekken’. De oude man draait zich om en loopt naar het groepje vrouwen en kinderen wat zich rondom Kwmee en de overleden baby’s heeft verzameld. De jagers kijken elkaar even aan. Langzaam komt de een na de ander in beweging, waaieren uit in het landschap. Op zoek naar iets te eten.

Kwmee heeft haar ogen ondertussen weer open gedaan. ‘Ga’, wapperen haar handen. ‘Laat mij hier bij de dode kinderen. Het is mijn tijd om te gaan’. Ome knikt. Dankbaar dat Kwmee dat doet wat in barre tijden van een oudje verwacht wordt om de last van de familie te verlichten. Hij kijkt van de drie dode baby’s naar de twee voedselzoeksters die naast hen zitten. Niet de moeders herinnert hij zich.  Die zijn reeds voor de winter overleden. Alg’s laatste kind is doodgeboren. Van haar overige kinderen is slechts een meisje blijven leven. Een traag kind, in alle opzichten.  Het jongste kind van Trij leeft nog en sabbelt jammerend op een lege borst. Haar oudste nog levende kind staat op de rand van volwassen worden. Met een beetje geluk wordt hij een groot jager. Haar dochtertje, nog lang niet volwassen, is nu reeds een beter voedselzoekster dan de dochter van Alg. Over zijn eigen zoon wil hij niet nadenken. De jongen loopt zo mogelijk nog verder achter in zijn ontwikkeling dan de dochter van Alg.

Hij wenkt de vrouwen en de kinderen dat het tijd is om te vertrekken en met en knik naar Kwmee, zijn moeder, verlaat hij langzaam lopend het tijdelijke kamp. Aan het geluid van de voetstappen achter zich hoort hij dat de twee voedselzoeksters en de kinderen achter hem sjokken.  De zo vertrouwde voetstappen van Tante, zijn vuurpartner, hoort hij niet. Het lijkt er op dat zij er voor kiest om bij haar moeder te blijven. Om samen met haar de overgang naar de voorouders te maken. Strak voor zich uit kijkend, met hangende schouders sleept hij zich voort. Eén gedachten zingt er door zijn hoofd: ‘Voorouders, help ons te overleven’. Diep in zijn hart weet Ome dat zijn familie ten dode opgeschreven is.

Pas wanneer het laatste kind niet meer zichtbaar is verlaten de twee jonge mensen die op de drempel tussen kind en volwassenen staan, de hoge boom. Met zijn speer in zijn hand, verscholen in het struikgewas, loopt Kleine in de richting waarin de jager Plk, de man die gisteren met zijn ouders heeft gesproken, is verdwenen. Zus loopt naar de twee vrouwen, maakt het welkomsteken. Kwmee houdt haar ogen gesloten. Tante knikt vaag. Voor Zus is het voldoende. Handig maakt zij een kleine vuurplaats van steen en al snel heeft zij een klein vuurtje branden. De ogen van Tante lichten op. Zus pakt een kom uit haar rugmand en loopt daarmee naar een klein stroompje water. Eenmaal gevuld zet zij de kom naast het vuur. Van een groot groen blad maakt zij een kleine kom en schept hier wat water in voor Tante die het bakje dankbaar leeg drinkt. Zus schept het bakje nogmaals vol en gaat hiermee naast Kwmee zitten. Voorzichtig laat zij via haar vingers wat druppels water in de mond van Kwmee lopen. Zij geeft het bakje aan Tante die haar voorbeeld volgt en druppeltje voor druppeltje water in de mond en op de lippen van Kwmee laat lopen.

Terwijl Tante haar moeder van water voorziet snijdt Zus haar eten voor één dag zo fijn mogelijk en laat de groenten en het vlees in de kom met water verdwijnen. Naast de plas water heeft zij wat peterselie en selderij zien staan. Zij plukt wat van de kruiden, snijdt ze klein en stopt ze ook in de kom. Al snel kookt het water en verspreidt zich een heerlijke geur. Tante’s maag doet er pijn van. Zus maakt nog een kom van een blad en schept een klein beetje bakje uit de kom met kokende soep en geeft dit aan Tante die het bakje dankbaar aanneemt. Terwijl Tante met kleine slokjes van de soep drinkt maken de vlugge vingers van zus een koord van gras zodat zij een aantal strikken uit kan zetten. Maar eerst … ‘Vindt je het goed wanneer ik de kinderen daar achter die boom’, en hierbij wijst Zus naar en ver weg gelegen boom, ‘Begraaf’. Tante knikt. ‘Dan moet jij het vuur brandend houden door er regelmatig kleine takjes en bladeren op te gooiten’, legt Zus uit. Weer knikt Tante. Als Zus met de kinderen richting de verwegstaande boom verdwijnt kan Tante alleen maar hopen dat de familie ook hulp aangeboden krijgt en dat haar vuurpartner nu niet meer te trots is om die hulp aan te nemen.

Voorouder Eén laat zijn armen langs zijn zijde zakken. ‘Ik ben bang’, zegt K’wan, ‘Dat haar hoop niet uitkomt. Die Ome klinkt als een te trotse, eigenwijze man. Toch Voorouder Eén?’. De oude man in het vuur kijkt K’wan even strak aan en knikt dan. ‘Ja K’wan, die Ome is een te trots man. Daar heb je gelijk in’. Dan verdwijnt de oude man in het vuur. 

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende twee pagina’s staan links naar alle afleveringen chronologisch achter elkaar.

Advertenties

2 thoughts on “Boek van Urgh 141: Hulp”

Reacties zijn gesloten.