Lamme Urgh

Boek van Urgh 142: Onthulling

Boek van Urgh

De volgende dag blijkt een koude, sombere en donkere dag te zijn. Veel eerder dan normaal trekken de grotbewoners zicht in hun grot terug, om te eten, om te slapen. Gelukkig verschijnt Voorouder Eén ook vroeg. 

Terwijl zijn zusje voor de twee oude vrouwen zorgt rent de jongen die naar de naam Kleine luisterd, achter de jager Plk aan. Zijn hersenen malen. Wat is de beste manier om de jager te benaderen? Als de jager geholpen wil worden, hoee kan hij daarna de trotse Ome overtuigen om zijn hulp aan te nemen? Plk is eerder ingehaald dan dat Kleine een plan heeft bedacht.  De jager is net zo moe, koud, hongerig en zwak als de rest van zijn familie. En oud ziet Kleine wanneer hij voor de jager staat en het welkomsgebaar maakt. Veek ouder dan zijn vader. Haast zo oud als de Ome.

Plk ziet de jongen voor hem verschijnen. Ziet het welkomsgebaar. Herkent het soort kleding wat de jongen aanheeft. Beantwoord aarzelend het welkomsgebaar. Voegt daar aan toe, ‘Mijn naam is Plk’. ‘Mijn naam is Kleine’, antwoord de jongen. ‘Kleine?’, vraagt Plk verbaasd. ‘Dat is de naam van een kind. Jij ziet er uit als een jager’.  ‘Ik ben bijna een jager’, is het antwoord. ‘Ik ben bezig met mijn overgangsopdracht. Ik moet zelf een dier doden wat groter is dan een konijn. En dat is precies wat ik dadelijk ga doen zodat jij en je familie iets te eten hebben’.  Het klinkt arrogant maar Plk gelooft de jongen op zijn woord. Dan bedenkt hij iets. ‘Je mag tijdens je overgangsopdracht geen contact hebben met andere mensen’. Kleine haalt zijn schouders op. ‘Ik denk niet dat mijn ouders mij dit kwalijk gaan nemen’. ‘Je ouders misschien niet’, zegt Plk, ‘Maar de voorouders…’. ‘Die heb ik niet’, is het simpele antwoord. Plk kijkt hem verbaasd aan. ‘Iedereen heeft voorouders’, reageert hij. Kleine haalt zijn schouders op. ‘Daar hebben we het nog wel eens over’, zegt hij dan. ‘Voor nu is eten vinden belangrijker. Ik weet dat er hier niet ver vandaan schapen zitten, daar kunnen we er wel een paar van vangen’.  Kleine kijkt nogmaals naar de jager voor hem. ‘Daar kan ik er wel een paar van vangen’, verbetert hij zichzelf. “Dan zorg jij voor het vuur en de bereiding. Denk je dat dat lukt?’. ‘Bereiding?’, vraagt de oude jager. ‘Slachten bedoel je?’. ‘Dat ook. Maar ik bedoel koken en bakken’. ‘Daar heb je vuur voor nodig. En voor vuur heb je bliksem nodig’.  ‘Ik kan vuur maken zonder bliksem’, is het antwoord. Plk laat zijn schouders hangen.  Even had hij hoop dat de jongen hem en zijn familie zou kunnen helpen. Maar dit is grootspraak. Allemaal grootspraak.

Toch laat hij zich door de jongen een klein stukje naar het Zuiden leiden. Onder een grote boom, naast een kleine bron gebaart de jongen hem om naast een ring van stenen te gaan zitten. De jongen zet de mand die hij op zijn rug draagt tegen de boom en verzamelt wat takken, takjes en droge bladeren en legt deze in de ring van stenen. Dan pakt hij zijn mes uit zijn riem en uit de buidel die aan zijn riem hangt een steen en slaat deze een aantal maal stevig tegen elkaar aan. Tot zijn verbazing ziet Plk vonken verschijnen. De bladeren beginnen te smeulen. De jongen blaast zachtjes tegen de smeulende bladeren en tot zijn verbazing ziet Plk een klein vlammetje verschijnen. De kleine takjes vatte ook vlam. De jongen heeft vuur gemaakt. Zou het dan geen grootspraak zijn? Uit de mand die bij de boom staat pakt de jongen een kom en vult deze met water. De kom zet hij op de stenen rand naast het vuur. Dan pakt hij wat knollen uit de mand en snijdt deze fijn, net als een stukjegedroogd vlees. Alles verdwijnt in de kom. Naast de bron staan kruiden, munt, peterselie, selderij. Hij snijdt wat van de kruiden af, scheurt deze met zijn handen klein en gooit al het groen in de kom. Van een groot blad vouwt hij een kleine kom en schept deze vol water en geeft deze aan Plk. ‘Drink jager, terwijl de soep kookt’. Dankbaar neemt Plk een slok van het koude water. Nog een, en nog een.  Ook al kookt het water nog niet, de soep begint al een heerlijke geur te verspreiden.  Kleine vouwt nog een kom en schept een klein beetje van het lauwwarme vocht uit de kom en geeft dat aan Plk. Likkebaardend drinkt de jager het kommetje leeg.

Dan krijgt hij uitleg hoe hij het vuur brandend moet houden. ‘Ik ga nu achter de schapen aan’, zegt Kleine. ‘Jij houdt het vuur brandend, zorgt dat de soep niet te dik wordt door er regelmatig wat water bij te voegen en wanneer je familieleden op de geur afkomen dan geef je ze allemaal wat van het warme nat’. Plk knikt. ‘Dat gaat lukken’, zegt hij en lachend ziet hij hoe de jongen snel bij het vuur wegrent. Op zoek naar schapen, wat dat ook  mogen zijn.

Op kleine afstand gevolgd door Alg, Trij en de kinderen sjokt Ome over de vlakte. In de verre verte hoort hij het gegrom van een wild dier wat een prooi vangt. Hij kan alleen maar hopen dat het om een ander dier gaat maar diep van binnen weet hij dat zijn familie weer kleiner is geworden. Dat er weer een jager minder is om de familie te voeden. De geur van soep dringt zijn neus binnen en hij weet dat hij, net als zijn moeder Kwmee, stervende is. Dat kan niet anders. Het water loopt hem in de mond en zijn voeten volgen het briesje naar haar oorsprong, naar zijn dood. De geur wordt sterker en hij hoort het knetterende geluid van vuur en weet dat de voorouders hem achter die struiken opwachten. Toch loopt hij, nog steeds gevolgd door de vrouwen en kinderen, door. Sterven is beter dan dit leven voelt hij. Hij loopt om de struiken heen, ziet de boom, het vuur, de bron, Plk en de kom geurende soep. ‘Welkom bij het vuur van Kleine’, zeggen de handen van Plk. ‘Ga zitten, en neem wat soep’. De oude jager vult een kleine kom en biedt die aan Ome aan. ‘Hoe?’, vraagt Ome. ‘De mensen van gisteren’, antwoord Plk. Het water loopt Ome in de mond maar hij weigert de kom met soep. Weigert bij het vuur te gaan zitten. Dan zijn daar de vrouwen en kinderen. Zonder een woord, zonder op een uitnodiging te wachten gaan zij bij het vuur zitten. Beide vrouwen nemen de aan hun aangeboden kommetjes met soep aan. Drinken de kom leeg. Plk vult de kommetjes opnieuw en dit keer zijn het de oudste twee kinderen die wat te eten krijgen. Dan is het jongste kind aan de beurt.

Plk voegt water aan de soep toe, en weer krijgen de twee vrouwen een kommetje soep aangeboden. Het dunne groente en vleesnat smaakt hen voortreffelijk en Trij laat voorzichtig wat druppels op de lippen van haar jongste kind vallen. Het kindje reageert niet en Ome weet dat door zijn trots ook voor dit kindje de hulp te laat is gekomen. Hij weet dat er voor hem nog maar een ding opzit en dat is sterven.

‘Jullie blijven hier bij Plk, bij jullie nieuwe familie’, zeggen zijn handen tegen de laatst overlevende van zijn familie. ‘Mijn tijd is gekomen en ik zal jullie niet langer tot last zijn’.  Hij hoort achter zich een takje krakken en draait zich langzaam om. Voor hem staat een onbekende jonge jager. De jongen is net zo gekleed als de mensen die hij gisteren beschimpt heeft. Zijn benen weigeren hem nog langer te dragen en Ome zakt door zijn knieen. In een poging de val van Ome te breken laat de jongen de twee lammetjes die hij in zijn handen heeft vallen en vangt de oude man op. Legt de oude man voorzichtig bij het vuur op de grond. Wenkt Plk om een kommetje soep in te scheppen. Helpt de oude man een beetje overeind en zet de kom met de soep aan zijn lippen. Uit gewoonte knijpt Ome even de lippen stijf op elkaar, voelt het vocht tegen zijn lippen, steekt onbewust zijn tong naar buiten om zijn lippen af te likken en neemt een slokje. In de wetenschap dat er genoeg is te eten is voor zijn hele familie drinkt hij dankbaar, met gesloten ogen, de hele kom leeg. ‘Slapen’, zeggen zijn handen dan en de jongen laat hem terug op de grond zakken.

Vier manen later hangt de heerlijke geur van gebraden hert en geroosterde knollen boven het kleine dal. Samen met hun nieuwe familie wachten Krkt en Mnaa op de terugkeer van hun twee jongste kinderen.  Tot hun grote verbazing, en tot blijdschap van Grm en zijn familie, verschijnen beide kinderen niet alleen. De nieuwe familieleden worden welkom geheten, nemen plaats rondom het vuur.  Ome blijft op gepaste afstand staan. ‘Ik heb geen recht om hier te staan’, antwoord hij het welkomsgebaar van Krkt. ‘Waarom?’, vraagt Krkt. ‘Ik heb je beledigd’, antwoord Ome. ‘Ik heb jullie hulp geweigerd toen mijn familie alle hulp kon gebruiken’. ‘Je hebt de hulp van mijn kinderen aangenomen’, antwoord Krkt, ‘Dat is voldoende voor mij om je welkom te heten bij mijn vuur’. ‘Je voorouders weten wat ik heb gedaan. Weten dat ik geen plek aan jouw vuur verdien’, antwoord Ome. ‘Ik ken geen voorouders’, antwoord Krkt. ‘Wij hebben geen voorouders. Wij hebben de rituelen nooit geleerd. Onze ouders, onze Ome, was dood voordat hij ons dat kon leren. Wij zijn Krkt en Mnaa. Wij hebben alles zelf geleerd’.

Ome laat de woorden op zich indringen. Kijkt naar Krkt en Mnaa. Naar hun kinderen. Hun kleding. Naar het vuur, het eten, de kommen. Weet ondertussen wat hun wapens kunnen doen. ‘Allemaal zonder voorouders?’, vraagt hij vol verbazing. ‘Krkt knikt. ‘Allemaal zonder voorouders’, zegt hij dan. ‘Wees welkom aan ons vuur en leer ons de rituelen, zodat wij de voorouders ook leren kennen’. Even aarzelt Ome nog. Dan stapt hij naar voren en zegt ‘Ik zal jullie de rituelen leren en Voorouder Eén worden’.

‘Dan ben ik nu aan het einde van mijn verhaal gekomen’, zegt de schim van de oude man in het vuur. ‘Dan weten jullie nu dat Vooroder Eén een trotste en eigenwijze man was, die de les ‘samenwerken en elkaar helpen’ te laat in zijn leven heeft geleerd. Gelukkig voor mijn familie niet te laat’. Glimlachend kijkt hij de kring rond alvorens in rook op te gaan. Urgh en de dorpsbewoners in verwondering achterlatend. 

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende twee pagina’s staan links naar alle afleveringen chronologisch achter elkaar.

Lamme Urgh

Boek van Urgh 141: Hulp

Boek van Urgh

In stilte eten de nieuwkomers totdat hun magen zeggen vol te zijn. Dat moment komt ver voordat al het eten op is.  Voor het eerst in jaren, voor sommige zelfs voor het eerst in hun leven, gaan de nieuwe familieden met een volle maag slapen terwijl Krkt en zijn zonen om de beurt de wacht houden.

Morgen vertel ik verder’, eindigt Voorouder Eén zijn verhaal voor die avond en weer is hij verdwenen voordat iemand hem een vraag kan stellen. 

Net als de avond ervoor geef Voorouder Eén niemand een kans om hem een vraag te stellen. Hij gaat meteen verder met zijn verhaal.

Onbewust van het feit dat twee paar jonge ogen hen vanuit een eeuwig groenbijvende boom gade slaan, worden Ome en zijn door honger en kou geplaagde familieleden voor dag en dauw wakker. Daar waar de avond ervoor nog vier jonge kinderen klagend jammerde van de honger hoort hij er nu nog maar één. Dan staat zijn vuurpartner Tante met een zorgelijk gezicht voor hem. ‘Er zijn weer kinderen dood’, zegt zij. ‘Zoveel’, en zij steekt drie vingers op. ‘Kwmee doet haar ogen niet meer open’, vervolgt zijn vuurpartner. ‘Gisteren hebben onze beste jager en beste voedselzoekster ons verlaten. Zijn meegegaan met de vreemdelingen die ons hulp aan boden. Waarom Ome? Waarom wilde je die hulp niet aannemen? Waarom moeten wij allemaal dood?’.  Ome heft zijn hand op, klaar om zijn vuurpartner met een stevige klap het zwijgen op te leggen, maar iets houdt hem tegen. ‘Ik ben de Ome’, zegt hij zwak. ‘Ik moet voor onze familie zorgen’. ‘Zorg dan voor onze familie’, antwoord zijn vuurpartner waarna zij zich abrupt omdraait en naar de oude Kwmee loopt.

Ome wenkt de jagers dichterbij. ‘Wij gaan dadelijk weer lopen. Jullie gaan wat verder van de familie vandaan dan anders. Zorg dat je met eten terugkomt want anders…’. Zijn dreigement is loos weten zowel de jagers als Ome. ‘Ik weet waar die vreemde mensen naar toe gaan’. Ome kijkt Plk strak aan. ‘Wij hebben geen hulp van een andere familie nodig’, antwoord hij. ‘Onze familie heeft altijd voor zichzelf kunnen zorgen’. ‘Noem jij dit voor zichzelf zorgen?’, vraagt Plk en doet meteen een stap achteruit maar de verwachtte klap komt niet. ‘Doe nu maar wat ik zeg’, reageert Ome gelaten. ‘Vertrek nu maar. Ik ga de andere aansporen om te vertrekken’. De oude man draait zich om en loopt naar het groepje vrouwen en kinderen wat zich rondom Kwmee en de overleden baby’s heeft verzameld. De jagers kijken elkaar even aan. Langzaam komt de een na de ander in beweging, waaieren uit in het landschap. Op zoek naar iets te eten.

Kwmee heeft haar ogen ondertussen weer open gedaan. ‘Ga’, wapperen haar handen. ‘Laat mij hier bij de dode kinderen. Het is mijn tijd om te gaan’. Ome knikt. Dankbaar dat Kwmee dat doet wat in barre tijden van een oudje verwacht wordt om de last van de familie te verlichten. Hij kijkt van de drie dode baby’s naar de twee voedselzoeksters die naast hen zitten. Niet de moeders herinnert hij zich.  Die zijn reeds voor de winter overleden. Alg’s laatste kind is doodgeboren. Van haar overige kinderen is slechts een meisje blijven leven. Een traag kind, in alle opzichten.  Het jongste kind van Trij leeft nog en sabbelt jammerend op een lege borst. Haar oudste nog levende kind staat op de rand van volwassen worden. Met een beetje geluk wordt hij een groot jager. Haar dochtertje, nog lang niet volwassen, is nu reeds een beter voedselzoekster dan de dochter van Alg. Over zijn eigen zoon wil hij niet nadenken. De jongen loopt zo mogelijk nog verder achter in zijn ontwikkeling dan de dochter van Alg.

Hij wenkt de vrouwen en de kinderen dat het tijd is om te vertrekken en met en knik naar Kwmee, zijn moeder, verlaat hij langzaam lopend het tijdelijke kamp. Aan het geluid van de voetstappen achter zich hoort hij dat de twee voedselzoeksters en de kinderen achter hem sjokken.  De zo vertrouwde voetstappen van Tante, zijn vuurpartner, hoort hij niet. Het lijkt er op dat zij er voor kiest om bij haar moeder te blijven. Om samen met haar de overgang naar de voorouders te maken. Strak voor zich uit kijkend, met hangende schouders sleept hij zich voort. Eén gedachten zingt er door zijn hoofd: ‘Voorouders, help ons te overleven’. Diep in zijn hart weet Ome dat zijn familie ten dode opgeschreven is.

Pas wanneer het laatste kind niet meer zichtbaar is verlaten de twee jonge mensen die op de drempel tussen kind en volwassenen staan, de hoge boom. Met zijn speer in zijn hand, verscholen in het struikgewas, loopt Kleine in de richting waarin de jager Plk, de man die gisteren met zijn ouders heeft gesproken, is verdwenen. Zus loopt naar de twee vrouwen, maakt het welkomsteken. Kwmee houdt haar ogen gesloten. Tante knikt vaag. Voor Zus is het voldoende. Handig maakt zij een kleine vuurplaats van steen en al snel heeft zij een klein vuurtje branden. De ogen van Tante lichten op. Zus pakt een kom uit haar rugmand en loopt daarmee naar een klein stroompje water. Eenmaal gevuld zet zij de kom naast het vuur. Van een groot groen blad maakt zij een kleine kom en schept hier wat water in voor Tante die het bakje dankbaar leeg drinkt. Zus schept het bakje nogmaals vol en gaat hiermee naast Kwmee zitten. Voorzichtig laat zij via haar vingers wat druppels water in de mond van Kwmee lopen. Zij geeft het bakje aan Tante die haar voorbeeld volgt en druppeltje voor druppeltje water in de mond en op de lippen van Kwmee laat lopen.

Terwijl Tante haar moeder van water voorziet snijdt Zus haar eten voor één dag zo fijn mogelijk en laat de groenten en het vlees in de kom met water verdwijnen. Naast de plas water heeft zij wat peterselie en selderij zien staan. Zij plukt wat van de kruiden, snijdt ze klein en stopt ze ook in de kom. Al snel kookt het water en verspreidt zich een heerlijke geur. Tante’s maag doet er pijn van. Zus maakt nog een kom van een blad en schept een klein beetje bakje uit de kom met kokende soep en geeft dit aan Tante die het bakje dankbaar aanneemt. Terwijl Tante met kleine slokjes van de soep drinkt maken de vlugge vingers van zus een koord van gras zodat zij een aantal strikken uit kan zetten. Maar eerst … ‘Vindt je het goed wanneer ik de kinderen daar achter die boom’, en hierbij wijst Zus naar en ver weg gelegen boom, ‘Begraaf’. Tante knikt. ‘Dan moet jij het vuur brandend houden door er regelmatig kleine takjes en bladeren op te gooiten’, legt Zus uit. Weer knikt Tante. Als Zus met de kinderen richting de verwegstaande boom verdwijnt kan Tante alleen maar hopen dat de familie ook hulp aangeboden krijgt en dat haar vuurpartner nu niet meer te trots is om die hulp aan te nemen.

Voorouder Eén laat zijn armen langs zijn zijde zakken. ‘Ik ben bang’, zegt K’wan, ‘Dat haar hoop niet uitkomt. Die Ome klinkt als een te trotse, eigenwijze man. Toch Voorouder Eén?’. De oude man in het vuur kijkt K’wan even strak aan en knikt dan. ‘Ja K’wan, die Ome is een te trots man. Daar heb je gelijk in’. Dan verdwijnt de oude man in het vuur. 

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende twee pagina’s staan links naar alle afleveringen chronologisch achter elkaar.

Lamme Urgh

Boek van Urgh 140: Het feestmaal

Boek van UrghVoorouder Eén laat zijn handen zakken en kijkt Urgh strak aan. ‘Je hebt mij aan het begin van de avond een vraag gesteld’, zegt hij. ‘Ik ga hier nog geen antwoord op geven. Later misschien’. Zonder Urgh de kans te geven iets te zeggen gaat hij in rook op.

Ook de volgende avond geeft Voorouder Eén de dorpsbewoners geen kans hem iets te vragen. Hij gaat meteen verder met het verhaal van Krkt en de nieuwe familieleden. 

In een waas ziet Grm hoe Ome voor de voeten van Krkt spuugt. Dan voelt hij Ome’s hand hard met zijn gezicht in contact komen. Hij wil wat zeggen maar Ome heeft hem al de rug toe gekeerd en geeft het teken tot vertrek. Automatisch begint Grm te lopen. Een paar passen maar. Hij stopt, draait zich langzaam om en bekijkt Krkt en zijn familie van top tot teen. Weer draait hij zich. Dit keer om het haveloze groepje mensen wat hij familie noemt te bekijken. De mensen die hem het meest nastaan lopen achteraan alsof zij voelen wat er komen gaat. Hij haalt diep adem, wendt zich wederom tot Krkt en vraagt ‘Kan jouw familie nieuwe leden gebruiken?’. ‘Hoeveel?’, is de wedervraag. ‘Vuurpartner, mijn moeder, haar vader, onze kinderen’. Krkt kijkt Mnaa aan. ‘Wat denk jij?’. ‘Ja’, is het korte antwoord. ‘Wij hebben de ruimte’, beantwoord Krkt de vraag. Het gezicht van Grm klaart op. Snel rent hij achter de stoet mensen aan en tikt zijn ouders, partner en kinderen een voor een aan en wijst naar Krkt. Tot zijn grote vreugde protesteert niemand, maakt iedereen zich los van de groep en volgen zij hem terug naar Krkt.

Krkt en Mnaa bekijken de mensen voor hen. Hadden Grm en Plk nog enigszins wat vlees op hun ribben zitten, de nieuwkomers zien er hologig en moe uit. ‘Krkt, Mnaa dit is mijn familie’. Grm wijst naar de man die naast hem is gaan staan. ‘Dit is mijn vader Brk. Groo is de moeder van mijn partner Una en dit zijn onze kinderen Faa, Trg en Krl’. Handpalmen naar boven wijzend heet Krkt hen allen welkom en stelt zijn eigen familie voor.  ‘Wij zijn op weg naar het hertendal. Dat is hier niet ver vandaar. Wij hopen voor het veranderen van de maan te kunnen vieren dat twee van onze kinderen de overgang van kind naar volwassenen heeft voltooid en daar hoort een feestmaal bij’. De nieuwkomers kijken hem verbaasd aan. ‘Feestmaal? Elk maal wat groot genoeg is om je buik te vullen is een feestmaal’, reageert Brk. ‘Wanneer hebben jullie voor het laatst je buik vol gehad?’, vraagt Mnaa. De nieuwkomers kijken elkaar aan. ‘Ik kan het mij niet herinneren’, zegt Groo. Krkt en Mnaa kijken elkaar even aan. ‘Het kamp bij het hertendal is het dichtst bij Krkt. Ik stel voor dat wij daar rustig naar toe wandelen’. Zij wendt zich tot haar zoons. ‘Ik wil dat jullie vooruit gaan zodat als wij komen het vuur al brandt en er al kommen met stoofpot en kruidenthee naast het vuur staat. Mochten jullie onderweg nog wat konijnen kunnen vangen doe dat dan. Hak onderweg ook wat bamboestengels om kleine kommen van te maken zodat er voor iedereen een kom is. Wij zien jullie vanavond’. Beide jongens knikken even en rennen dan, met hun speer in de hand hoog opgeheven, weg.

De nieuwkomers kijken elkaar verbaasd aan. ‘Vuur al brandt?’, vraagt Groo. ‘Hoe weten jullie wanneer het de voorouders behaagt vuur naar hier te sturen?’. ‘Wij hebben geleerd zelf vuur te maken’, antwoord Krkt. ‘En we hebben nog meer geleerd. Maar dat vertellen wij jullie later wel. Laten wij nu eerst naar het hertendal gaan. Daar kunnen jullie rusten en eten’. Hij knikt de nieuwkomers vriendelijk toe en wijst met zijn hand in de richting die zij moeten gaan. De nieuwkomers aarzelen. Zijn dit wel mensen? Het lijkt er op dat zij hun eigen weg gaan vervolgen. Op dat moment laat Knd een zacht gejammer horen. Mnaa haast zich haar dochtertje te troosten. ‘Wij volgen’, zegt Groo.

Later dan gedacht bereiken Krkt, Mnaa en hun nieuwe familie het kamp bij het hertendal. Tot de verbazing van de nieuwe familieleden brandt er inderdaad een klein vuurtje. Hun neuzen vullen zich met de meest heerlijke geuren. ‘Wat ruik ik?’, vraagt Groo. ‘Wat zit er in die grote kommen?’ ‘Kruidenthee en Groentenstoofpot’, antwoord Mnaa. ‘En verder hebben we gebraden konijn en eend’. Met een vriendelijk gebaar nodigt zij haar nieuwe familieleden uit om te gaan zitten terwijl Sto-orm en Spe-eer kleine bamboe kommen met kruidenthee uitdelen. Na een eerste slok van zijn kruidenthee te hebben genomen zet Grm de kom voorzichtig neer en zegt ‘Ik weet niet wat er allemaal nog komen gaat. Maar deze drank is een feestmaal op zich’.

Hij pakt de kom weer op en drinkt hem genietend leeg. Dankbaar voor het warme vocht wat hem van binnenuit verwarmd. Dankbaar voor het kleine vuur voor hem. Blij dat hij aan zijn opwelling gehoor heeft gegeven en gevraagd heeft of hij en de zijnen bij deze familie mag horen. Na de thee krijgt iedereen van Mnaa een blad met daarop wat stoofpot en een stukje gebraden konijn aangereikt. In stilte eten de nieuwkomers totdat hun magen zeggen vol te zijn. Dat moment komt ver voordat al het eten op is.  Voor het eerst in jaren, voor sommige zelfs voor het eerst in hun leven, gaan de nieuwe familieden met een volle maag slapen terwijl Krkt en zijn zonen om de beurt de wacht houden.

Morgen vertel ik verder’, eindigt Voorouder Eén zijn verhaal voor die avond en weer is hij verdwenen voordat iemand hem een vraag kan stellen. 

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende pagina’s staan alle afeveringen chronologisch achter elkaar.

Lamme Urgh

Boek van Urgh 139: Mensen

Boek van Urgh

Urgh kijkt hem peinzend na. ‘K’wan’, vraagt hij dan, ‘Is Krkt Voorouder Eén?’ De kleine man van de Vroegere Stam haalt zijn schouders op. ‘Ik weet het niet Urgh, maar het lijkt er wel op’. ‘Ik vraag het hem de volgende keer’, beloofd Urgh. 

Helaas voor Urgh en zijn dorpsgenoten negeert Voorouder Eén de volgende dag zijn vraag en gaat verder met het verhaal.

Het leven in het kleine dal was goed. Veertien jaar verstrijken. In die veertien jaar worden vijf kinderen geboren. Eerst drie jongens, daarna twee meisjes. Krkt en Mnaa verfijnen hun samenwerk-jachttechniek en vanaf dat de kinderen oud genoeg zijn om mee te jagen brengen hun ouders hen de fijne kneepjes van het jagersvak bij. Dat niet alleen. Mnaa leert de kinderen ook alles wat zij over het gebruik van groenten en kruiden weet.

De oudste twee jongens hebben na het bereiken van de puberteit de overgangsrite van kind naar man goed doorstaan en luisteren nu naar hun volwassen naam. De oudste (13) kreeg de naam Storm en zijn twee jaar jongere broertje werd Speer genoemd. Het is Mnaa, die beter dan Krkt in staat is om klank aan woorden te geven, die de namen heeft bedacht en van de klanken Sto-orm en Spe-eer had voorzien. Krkt vond dat eerst niet nodig, die klanken, maar Mnaa had toen de jongens nog Kinnd en Broerrr heette voet bij stuk gehouden. ‘Een kind wat je niet aankijkt, of wat je  niet kan zien, kan ook niet zien dat het geroepen wordt’, had zij gezegd. ‘Maar horen kunnen zij het altijd’.

Aan het begin van het voorjaar constateert Mnaa dat Kleine (9) en Zus (8) beide zijn gaan puberen. Beide kinderen worden, voorzien van voedsel voor een dag en hun overgangsopdracht aan een andere kant het kleine dal uitgezet. Kleine mag pas terugkeren wanneer hij een dier groter dan een fors konijn heeft gedood en Zus wanneer haar eerste maanstonde er op zit. Opgewonden doen beide kinderen wat er van hen gevraagd wordt.

Op zoek naar een goede schuilplek trekt Zus richting het Noorden. Daar zijn grotten maar ook voedsel te vinden weet zij van de trektochten die zij de zomers ervoor met haar ouders heeft gemaakt. Daar kan zij rustig wachten totdat haar maanstonde er op zit om daarna als vrouw naar haar ouders terug te keren.

Kleine loopt verder naar het Zuiden. Ook hij weet waar hij naar toe moet om wild te vinden wat groot genoeg is om zijn opdracht zo snel mogelijk uit te voeren zodat hij als man terug kan keren naar het kleine dal.

Die avond, terwijl hun twee oudste zonen al liggen te slapen, zitten Krkt en Mnaa met hun jongste dochter bij het vuur. Na de geboorte van Zus keerde de maanstonde van Mnaa niet meer terug. Dat Mnaa vele winters na de geboorte van Zus wederom zwanger bleek kwam dan ook als een verrassing voor Krkt en Mnaa. Knd, geboren in de winter, was kleiner en zwakker dan haar broertjes en zusje maar ondanks haar zwakte overleefde zij nu al weer de derde winter. Toch maakt met name Krkt zich zorgen. Het meisje kan nog niet lopen, is niet zindelijk, reageert nergens op en kan eigenlijk alleen maar zacht voedsel eten. ‘Het lijkt wel of zij eeuwig kind blijft’, heeft Krkt wel eens gezegd. Mnaa had toen haar schouders opgehaald. ‘Niet alle kinderen zijn even snel’, was haar antwoord. ‘Knd is het kind uit onze nadagen, zij kan niet zo snel zijn als de kinderen uit onze jeugd’.

‘Ik verwacht de twee jongste de komende dagen nog niet terug in het dal’, zei Krkt. ‘Ik stel voor dat wij morgen met z’n vieren naar het hertendal gaan om daar te jagen zodat we voldoende vlees hebben voor het overgangsfeest’. Mnaa knikt ten teken dat zij het een goed idee vindt.

De volgende ochtend vertrekt het gezin uit het kleine dal. Alle vier de volwassenen dragen een lege mand op de rug. Knd hangt in een draagdoek op de buik van Mnaa. Zij lopen stevig door. Halverwege de middag ziet Sto-orm, die op dat moment voorop loopt, sporen van mensen. ‘Verse sporen’, bevestigt Krkt en kijkt zijn partner vertwijfeld aan.  Hun beider zonen reageeren uitgelaten bij het idee dat er andere mensen in de buurt zijn en voor het eerst betreurt Krkt het dat hij zijn zonen nooit over het lot van de familie van Mnaa en hem verteld heeft. ‘We moeten voorzichtig en behoedzaam verder gaan’, zegt hij.  ‘Waarom?’, vraagt Sto-orm. ‘Het zijn mensen, geen holenleeuw’, voegt Spe-eer er aan toe.

‘Ik moet jullie iets vertellen over het lot van de families van je moeder en mij’, begint Krkt. Uit zijn ooghoek ziet hij twee mannen met hun messen in de aanslag uit het struikgewas stappen en op hen afkomen. Sto-orm en Spe-eer maken aanstalte om op de mannen af te lopen. ‘Staaaa’, sist Mnaa. Beide jongens doen wat hun moeder hen opdracht.  Krkt doet een stap naar voren, maakt met zijn handen het gebaar ‘Wees welkom’ terwijl hij zijn adem inhoudt.

De mannen nemen het tafereel voor hen in ogenschouw, kijken elkaar aan, stoppen hun mes in hun riem en maken met hun handen hetzelfde gebaar. Zachtjes laat Krkt zijn adem los en loopt naar de mannen toe. Zijn partner en hun zonen volgen hem.

Bij de mannen aangekomen zegt hij: ‘Mijn naam is Krkt en dit is mijn familie. Mijn partner Mnaa, dochter Knd en zonen Storm en Speer’.  ‘Ik ben Grm’, zegt de oudste van de twee mannen terwijl hij zijn ogen over het tuniek en de voedbedekking van Krkt laat glijden. ‘En dit is Plk. Wij komen daar vandaan’. Hierbij wijst Grm, die net als Plk slechts gehuld is in een paar aftandse huiden die door een riem bij elkaar wordt gehouden naar het Zuid-Westen. ‘Wij zijn samen met onze familie op zoek naar eten’. Krkt knikt. ‘Wij ook’, antwoordt hij. ‘Over die heuvelkam ligt het hertendal. Daar is het goed jagen’. Grm knijpt zijn ogen samen. ‘Zijn er veel oude hindes’, vraagt hij. Voor zijn vader antwoord kan geven knikt Storm enthousiast. ‘Ja. Maar ook jonge bokken en hindes. Die smaken veel lekkerder’.  Oom’s ogen worden nog wat kleiner terwijl Plk zijn mes weer trekt. ‘Jagen op jonge bokken en hindes is gevaarlijk. Wil jij ons dood hebben’, vraagt oom. ‘Nee!. Als je samen jaagt’, doet Speer een duit in het zakje, ‘Valt het gevaar wel mee’.  Ook Grm’s hand gaat naar het mes in zijn riem maar aarzelt even. ‘Hoe kan je dat zeggen’, zegt hij. ‘Samen jagen is het gevaarlijkste wat er is. Twee messen vlak bij elkaar. Als je de prooi mist, raak je de andere jager’.

‘Waarom gaan jullie niet samen met jullie familie mee naar het hertendal’, sust Krkt. ‘Dan laat ik samen met mijn familie jullie zien hoe je veilig samen kunt jagen’. Hij aarzelt even. ‘Hoe groot is jullie familie eigenlijk’, vraagt hij. Grm kijkt even naar zijn handen en steekt zes vingers op. ‘Zoveel jagers’, zegt hij. Hierna steekt hij vier vingers op. ‘Zoveel voedselzoekers’.  Hij sluit af met de melding dat er zoveel (acht) kinderen en (vijf) oudjes zijn. ‘Die houden de familie op en maken dat we nooit genoeg eten hebben’, voegt hij er aan toe. Het is Krkt niet duidelijk of Grm het over de kinderen of over de oudjes heeft.

Krkt, Mnaa en hun zonen volgen samen met Grm en Plk het spoor van beide mannen terug naar hun familie. Op het punt waar zij afscheid van de familie hebben genomen volgen zij het spoor van de familie zelf. De familie is niet veel opgeschoten in de tijd dat Grm en Plk op jacht waren ziet Krkt. Het tempo van de familie ligt inderdaad laag. Meerdere kinderen, groter nog dan Knd, worden door voedselzoekers gedragen. Grm loopt naar de kop van de stoet om met de jager die de familie aanvoert te praten. De hoofdjager steekt zijn arm omhoog en de kolonne komt tot stilstand. Samen met Grm loopt hij naar Krkt en zijn familie toe. Zonder het welkomsteken te maken beginnen zijn handen te praten. ‘Ik ben hier de Ome’, zegt hij. ‘Ik zorg dat mijn familie te eten krijgt. Daar heb ik geen hulp van buitenstaanders bij nodig’. Om zijn woorden kracht bij te zetten spuugt hij net voor Krkt’s voeten op de grond. Dan geeft hij Grm een draai om zijn oren, keert zich om en gebaart zijn familie dat zij weer moeten gaan lopen terwijl hij zelf terug loopt naar de kop van de stoet.

Pas ‘s-avonds, wanneer hij eindelijk het stopteken geeft en zijn familieleden moe en hongerig een slaapplekje zoeken, valt het hem op dat hij één jager, één voedselzoekster, twee oudjes en drie kinderen mist. Grm, zijn ouders en zijn gezin hebben een nieuwe familie gevonden.

Voorouder Eén laat zijn handen zakken en kijkt Urgh strak aan. ‘Je hebt mij aan het begin van de avond een vraag gesteld’, zegt hij. ‘Ik ga hier nog geen antwoord op geven. Later misschien’. Zonder Urgh de kans te geven iets te zeggen gaat hij in rook op.

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende pagina’s staan alle afeveringen chronologisch achter elkaar.

Lamme Urgh

Boek van Urgh 138: De onthulling

Na het eten is het te donker om nog te praten; tussen de slaaphuiden kruipen de jonge mensen dicht tegen elkaar aan om te gaan slapen. Misschien brengt de nacht hen wel een idee om het plan minder gevaarlijk te maken. 

Helaas, de nacht brengt hen alleen maar een hoop wind en de eerste sneeuw. Het is al laat in de ochtend wanneer zij de grot verlaten om de strikken leeg te halen. Mnaa neemt haar wortelstok mee. ‘Waarom?’, vraagt Krkt. ‘Denk je nu nog wortels te vinden’. Mnaa haalt haar schouders op, klemt de lange stok met de spitse punten onder haar arm en antwoord, ‘Je weet maar nooit Krkt. Je weet maar nooit’. Rustig lopen zij door het kleine, stille dal. Stiller dan normaal. Er tjilpen geen vogels, er ruist niets in het struikgewas. De verse sneeuw knispert onder hun in huiden gestoken voeten. Hun ogen flitsen heen en weer, speurend naar de oorzaak van de onnatuurlijke stilte.

Bij de eerste strik is de sneeuw omgewoeld en de prooi grotendeels verdwenen. ‘Wolf’, zegt Krkt na het bestuderen van de sporen. Dat verklaart de afwezigheid van geluid. Het vooruitzicht om een winter lang het kleine dal met een wolf te moeten delen maakt hen bang. ‘We moeten wat doen’, zegt Mnaa. ‘We moeten de wolf wegjagen’. Krkt knikt, maar heeft geen flauw idee hoe zij de wolf weg moeten jagen.  Behoedzaam, zonder een geluid te maken volgen zij het spoor van de wolf. Het leidt hen eerst langs vier lege strikken en dan verdwijnt het spoor het struikgewas in, richting de eik waar de everzwijnen graag naar eikels wroeten.

Ineens is het gedaan met de stilte. De hoeven van de varkens kletteren over de rotsen. De wolf grauwt. Takken breken. Het geluid van de hoeven en het gegrom van de wolf komt dichterbij. Krkt en Mnaa verschuilen zich beide achter een boom. Een eenjarig everzwijn maakt zich los uit het struikgewas, op de voet gevolgd door de wolf. Het is nog een jonkie ziet Krkt in een flits en zonder er verder bij na te denken begint hij de wolf met stenen te bekogelen. Uitglijdend in de verse sneeuw komt de wolf tot stilstand en draait zich grauwend om en komt op Krkt af die hem met stenen blijft bekogelen. Mnaa ramt de wortelstok schuin de grond in, pakt en steen en volgt het voorbeeld van Krkt. De wolf wordt door steen na steen getroffen. Versuft blijft hij stil staan. Het geluid van brekende takken kondigt de komst van een van de grotere everzwijnen aan. Een zeug met enorme slagtanden maakt zich los uit het struikgewas en stormt op de jonge wolf af die zijn best doet om opzij te springen maar te laat. De wolf wordt aan een van de slagtanden gespiest. Wild schuddend met zijn hoofd rent het zwijn verder. De wolf komt los van de slagtand en beland met een grote boog achter het zwijn. Nog steeds rennend maakt de zeug een bocht, rent over de wolf hen waarbij zij met haar achterpoten zijn schedel verbrijzeld en rent recht op Mnaa af. Verstijfd van schrik ziet het meisje het enorme beest op haar afkomen.

Dan is Krkt daar. Met een grote sprong duwt haar uit het pad van de zeug. Samen vallen ze in de sneeuw. De zeug kan zo snel niet keren, loopt door en begint dan te gillen. Krkt en Mnaa horen hout breken. Zo snel zij kunnen staan zij op, met hun mes in de hand. Uit de borstkas van de zeug steekt de gebroken wortelstok. Wild om zich heen schoppend rolt de zeug over de grond, het afgebroken deel van de wortelstok dieper en dieper in haar vlees duwend. Het bloed gutst uit de wond. Langzaam wordt het schoppen minder totdat zij helemaal stil valt en de normale dalgeluiden weer goed te horen zijn. Krkt en Mnaa halen opgelucht adem. Niet alleen het gevaar is geweken, zij hebben genoeg vlees om de winter mee door te komen, twee nieuwe grote huiden en de oplossing voor hun probleem. Vanaf nu kan de jacht alleen maar veiliger worden.

Voorouder Eén laat zijn handen even zakken en richt zijn blik op Urgh. ‘Je ziet Urgh’, zegt hij dan met een lach op zijn gezicht, ‘Jij was niet de eerste die per ongeluk met een prikstok een enorm wild dier wist te doden. Krkt en Mnaa gingen je voor’. Urgh grinnikt even. ‘Voorouder, weet jij of zij net zo bang waren als ik?’, vraagt hij dan met een lach. ‘Nog banger’, antwoord Voorouder Eén. ‘Zie je Urgh, jij was toen klaar om te sterven, dacht dat je geen reden meer had om te leven. Krkt en Mnaa hadden dat wel. Mnaa had al een paar manen geen maanstonde meer gehad. Het kon niet anders dan dat er een nieuw leven in haar groeide. Hun familie zou uitgebreid worden met een kind’.  Met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht bij deze herinnering wordt de kleine gestalte in het vuur ijler en ijler om dan helemaal te verdwijnen.

Urgh kijkt hem peinzend na. ‘K’wan’, vraagt hij dan, ‘Is Krkt Voorouder Eén?’ De kleine man van de Vroegere Stam haalt zijn schouders op. ‘Ik weet het niet Urgh, maar het lijkt er wel op’. ‘Ik vraag het hem de volgende keer’, beloofd Urgh.

Dan is het tijd om de wacht te verdelen, het vuur klein te maken, en te gaan slapen. Morgen is er weer een dag. 

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende pagina’s staan alle afeveringen chronologisch achter elkaar.

Lamme Urgh

Boek van Urgh 137: Samen jagen

De oude man in het vuur lacht verlegen, buigt al draaiende in het vuur naar de vier windrichtingen, alvorens het woord te nemen. ‘Dan is het nu tijd geworden om jullie te vertellen over het plan van Krkt’, beginnen zijn handen te vertellen. Elm’s stem herhalen zijn woorden. Langzaam keert de rust rondom het vuur terug en hangen de dorpsbewoners weer aan de handen van Voorouder Eén en de lippen van Elm.

De volgende ochtend haalt Krkt eerst water, maakt de strikken leeg, zoekt wat knollen en dan gaat hij naar de oefenboom. Oefening baart kunst en aan het einde van de dag, op zijn weg terug naar de grot, lukt het hem om een konijn te raken met zijn steen. Met het dode beest in zijn handen loopt hij de grot binnen. Mnaa kijkt naar het dode dier, laat de platte stok die zij gebruikt om door de stoofpot te roeren los. ‘Dan heb je nu genoeg geoefend’, zeggen haar handen. ‘Vertel me je plan’. Krkt denkt even na. ‘Mijn plan is..’, begint hij om dan zijn handen te laten zakken. ‘Het is een dom plan’, vervolgt hij.’Een gevaarlijk plan. Ik moet hier langer over nadenken’. Mnaa laat de platte stok wederom los. ‘Vertel me je plan’, herhaalt zij. ‘Misschien  kan ik mee bedenken hoe het minder gevaarlijk en dom kan worden’. Even aarzelt Krkt nog, bang dat de jonge vrouw hem uit zal lachen. ‘Mijn plan is…’. Weer stoppen zijn handen met praten. ‘Mijn plan is om samen te jagen’. Mnaa kijkt hem verbaasd aan. ‘Dat is toch niets nieuws? De jagers jagen altijd samen’. Krkt knikt. ‘Klopt. De jagers jagen samen, maar nooit op hetzelfde dier. Ik had gedacht dat wij samen op hetzelfde dier kunnen jagen, samen kunnen werken, zodat we grotere dieren kunnen doden’. ‘Hoe?’, vraagt Mnaa nieuwsgierig, ‘Kunnen wij samen jagen en wat is er gevaarlijk aan?’. ‘Nou, als een van ons door stenen te gooien een wildzwijn van de groep kan afzonderen en richting de ander kan laten rennen, dan kan de ander het beest met een mes doden. Maar zowel het stenen gooien als een wildzwijn zo dicht bij laten komen dat je het met een mes kunt doden is gevaarlijk’. ‘Je zou een langer mes moeten hebben’, reageert Mnaa peinzend. ‘Zodat het wildzwijn  je niet kan raken met zijn slagtanden’. ‘ja, maar zulke lange steenknollen heb ik nog nooit gezien’, antwoord Krkt.

Mnaa pakt een groot blad van de stapel bladeren bij het vuur en schept er met de platte stok flink wat stoofpot in en geeft het blad aan Krkt. Krkt ziet een groot stuk vlees in de kom naast het vuur drijven en steekt zijn hand uit om dat ook te pakken. Mnaa duwt zijn hand met de platte stok weg. Krkt probeert het nog een keer en weer gebruikt Mnaa de platte stok om zijn hand weg te duwen. Lachend geeft Krkt het op en begint te eten. Mnaa kijkt even peinzend naar de stok in haar hand. Er begint zich een idee te vormen. Stel dat? Nee, de stok is te wiebelig. Daar kan je geen wildzwijn mee doden. Maar wat als?  Diep in gedachten verzonken schept Mnaa ook voor zichzelf een blad met stoofpot vol en neemt een hap.

Na het eten is het te donker om nog te praten; tussen de slaaphuiden kruipen zij dicht tegen elkaar aan om te gaan slapen. Misschien brengt de nacht hen wel een idee om het plan minder gevaarlijk te maken.

 

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende pagina’s staan alle afeveringen chronologisch achter elkaar.

Lamme Urgh

Boek van Urgh 136: Tork krijgt een antwoord

Ondanks de wat sceptische opmerkingen van Tork wacht ook hij de volgende avond vol spanning op de komst van Voorouder Eén. De oude man laat hen niet lang wachten. Elm is nog niet eens klaar met eten als Voorouder Eén in het vuur verschijnt. Hij richt zijn eerste woorden tot Tork. ‘Misschien zou ik het verhaal wel sneller kunnen vertellen’, zeggen zijn handen, ‘Maar dan had ik heel veel details weg moeten laten’. ‘Zoals?’, vragen de handen van Tork. ‘Eigenlijk alles’, antwoord de oude man simpel. ‘Wat Krkt en Mnaa hebben gedaan is zeker voor jullie, die net als deze twee jonge mensen  in één leven heel veel veranderingen door hebben gevoerd, mee hebben gemaakt, heel normaal. Hoewel jullie kleding niet lijkt op hetgeen Mnaa bedacht heeft, komt het idee van jullie kleding wel bij haar vandaan. Net als het plaatsen van kommen naast het vuur om eten in te bereiden of het jagen met stenen. Ook Krkts ideeën hebben er voor gezorgd dat Urgh samen met jullie dit dorp heeft kunnen stichten. Om dat te zien, moeten jullie eerst weten waar deze twee mensen vandaan komen. Snap je dat Tork?’ Tork kijkt de oude man even weifelend aan. ‘Maar als zij het niet hadden bedacht’, zegt hij dan, ‘Was er toch wel iemand anders gekomen?’. De oude man  glimlacht even. ‘Misschien wel Tork.  En misschien ook niet’. Voorouder Eén kijkt om zich heen tot zijn blik op C’roo en K’nd blijft rusten. ‘De menssoort die er voor gezorgd heeft dat Krkt en Mnaa elkaar leerde kennen, die er voor gezorgd hebben dat zij die koude winter hebben overleefd, die menssoort bestaat al heel lang niet meer. Ja, er lopen nog nakomelingen van deze menssoort op de aardbodem rond, net zoals door C’roo en K’nd de Vroegere Stam voort zal blijven bestaan, maar als menssoort is de Vroegere Stam zo goed als verdwenen. De voorouders van jullie Stam hebben heel lang geleden veel geleerd van de nakomelingen van Krkt en Mnaa. Net zoals jullie nu nog leren van K’wan en M’na en K’wan en de andere veel leren van jullie. Maar lang niet alle leden van de Vroegere Stam hadden het vermogen om te leren. Zonder Krkt en Mnaa en de omstandigheden die hen bij elkaar hebben gebracht, was de Vroegere Stam ongeveer gelijk uitgestorven met die andere menssoort. Dan was er niemand geweest om van te leren. Dan had jullie stam alles zelf moeten bedenken. En jullie weten, mensen die nieuwe dingen kunnen bedenken, mensen anderen nieuwe dingen kunnen leren, die zijn er niet veel. Net zo min als er veel mensen zijn die nieuwe dingen willen leren. Nieuwe dingen accepteren. Mensen willen vaak dat het leven blijft zoals het was. Mensen houden graag vast aan tradities. Urgh is een bedenker. Jullie zijn bereid te leren. Die combinatie heb je nodig. De meeste bedenkers leven niet lang omdat de meeste mensen bang zijn voor vernieuwingen’. Tork knikt. ‘Je hebt gelijk Oude Man’, zegt hij dan eerlijk. ‘Ook ik was vroeger bang voor verandering. Ik vond de ideeën van Urgh eng. Als het aan mij had gelegen was Urgh er niet meer ..’. Even valt hij stil. Vervolgt dan in verwondering, ‘… En wij ook niet meer. Of de meeste van ons niet meer. Dan hadden wij de ziekte en het schudden van de aarde ook niet met zo velen overleefd. Door die twee dingen ben ik beter naar Urgh gaan luisteren. Ben ik gaan nadenken over zijn woorden. Wijs ik zijn vindingen niet meteen meer af. Probeer ze. Dat wij hier elke dag met een warm lijf en een volle buik rondom het vuur kunnen zitten komt door de ideeën van Urgh en de andere dorpsbewoners die zelf durven te denken en te doen in plaats van zich achter een traditie te verschuilen. Je hebt gelijk. Het hele verhaal is belangrijk voor het verkrijgen van inzicht. Het spijt mij dat ik je er van beschuldigd hebt dat je verhaal te traag is.  De avonden zijn lang, de winterzonnewende nog ver weg en pas na de lentezonnewende gaan wij weer op langere jachttochten en hebben dan geen tijd om naar je verhaal te luisteren. Ik wil graag de rest van het verhaal van Krkt en Mnaa horen. In jouw tempo!’ Stampend met hun voeten en luid joelend zetten de overige dorpsbewoners zijn woorden kracht bij.  De oude man in het vuur lacht verlegen, buigt al draaiende in het vuur naar de vier windrichtingen, alvorens het woord te nemen. ‘Dan is het nu tijd geworden om jullie te vertellen over het plan van Krkt’, beginnen zijn handen te vertellen. Elm’s stem herhalen zijn woorden. Langzaam keert de rust rondom het vuur terug en hangen de dorpsbewoners weer aan de handen van Voorouder Eén en de lippen van Elm.

© Rianne

Val je zomaar binnen en wil je weten wat er aan deze aflevering van Lamme Urgh vooraf is gegaan, kijk dan hier. Op de onderliggende pagina’s staan alle afeveringen chronologisch achter elkaar.é